Het Italiaanse Leger

Op papier beschikte Italië over een groot en redelijk goed uitgerust leger. Hoewel Benito Mussolini’s vaak geciteerde claim van 8 miljoen bajonetten niet geloofwaardig was, kon ze toch een groot, zij het wat ouderwets, leger op de been brengen. De mobilisatiesterkte van het leger was in juni 1.630.000 man, wat later zou groeien tot een maximum van 2.563.000. Het Italiaanse leger was prima in staat om op één front te vechten, waar dan alle beschikbare middelen ingezet zou kunnen worden. Dit was bijvoorbeeld het geval geweest tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen het Italiaanse leger een langdurige en bittere strijd had uitgevochten tegen het Oostenrijk-Hongaarse Rijk. Deze keer zou het echter te maken krijgen met een oorlog op ten minste twee fronten, Noord-Afrika en de Balkan, en leverde het later nog een grote hoeveelheid troepen voor de Duitse strijd aan het Oostfront. Dit type oorlog lag ver buiten de beperkte middelen die Italië op kon brengen.

Bij het uitbreken van de oorlog had het Italiaanse leger een omvang van 73 divisies, bestaande uit 106 infanterieregimenten, 12 regimenten Bersaglieri (zeer goed getrainde lichte infanterie), 10 regimenten Alpini (bergtroepen), 12 regimenten cavalerie, 5 tankregimenten, 32 regimenten artillerie en 19 genieregimenten. Het Italiaanse leger was in de basis een infanterieleger zonder veel mechanisering en een tekort aan de middelen die nodig zijn voor een moderne oorlog. Veel van het materiaal stamde nog uit de Eerste Wereldoorlog of zelfs nog van daarvoor en zelfs de meer moderne uitrusting verouderde snel.

Een voorbeeld hiervan is dat het Italiaanse leger in juni 1940 beschikte over 7.970 artilleriestukken. Slechts 246 daarvan waren na 1930 gemaakt. Het grootste deel van het veldgeschut was van Oostenrijkse makelij en in 1918 overgedragen als reparatiebetaling. De meeste stukken waren verbeterd door de oude, houten wielen te vervangen met stalen, maar hoewel ze er hierdoor moderner uit zagen, waren hun lopen nog steeds 40 jaar oud.

Op papier was het Italiaanse tankwapen met 700 tanks van een indrukwekkende omvang. Maar de waarheid achter de cijfers is dat de meeste van deze ‘tanks’ in feite ‘tankettes’ waren: piepkleine voertuigen die bewapend waren met machinegeweren en met bepantsering zo dun, dat het zelfs geen kogels kon tegenhouden. Er werd al gewerkt aan meer moderne tanks, maar toen deze eenmaal aan het front verdwenen, bleken ze zelfs niet opgewassen te zijn tegen de ook al niet indrukwekkende Britse tanks.

Een Italiaanse pantserdivisie bestond uit een tankregiment, een artillerieregiment en een regiment gemotoriseerde Bersaglieri. Het tankregiment bestond uit drie tot vijf tankbataljons van elk 55 tanks.

De Italiaanse infanteriedivisie kende een andere structuur dan die van de meeste andere legers. Het had namelijk twee infanterieregimenten en één artillerieregiment, in plaats van de gebruikelijke drie infanterieregimenten en drie tot vier artillerie-eenheden. Deze zogenoemde ‘binaire’ divisie vormde een grote zwakte, hoewel dit op papier de indruk gaf dat het Italiaanse leger over meer eenheden beschikte. Daar kwam nog bij dat de meeste divisies bij lange na niet op volle sterkte waren. Van de 73 divisies, waren er slechts 20 op volle sterkte.

De soldaten van de Alpinidivisies (bergtroepen) kwamen meestal uit de Italiaanse Alpen en vochten vaak beter dan de reguliere troepen. Behalve dat ze opgeleid waren voor de moeilijke gevechten in bergachtige gebieden, waren ze ook heel handig met de inzet van berggeschut. In tegenstelling tot de infanteriedivisie beschikte elk regiment in een Alpinidivisie over eigen artillerie en genisten. Dit maakte het mogelijk voor elk regiment om zelfstandig te opereren, wat noodzakelijk is in bergachtig terrein, waar de inzet van complete divisies vaak niet mogelijk is.

Vanwege haar koloniale bezittingen in Afrika kon Italië ook van de mensen die daar woonden gebruik maken voor het bemannen van het leger. In 1940 beschikte Italië over twee divisies in Noord-Afrika die bestonden uit Libische soldaten onder Italiaans bevel. De structuur van deze ‘Libische’ divisies was dezelfde als die van een reguliere infanteriedivisie.

MSVN
De ‘Zwarthemden’ van de MSVN (Milizia Volontaria per la Sicurezza Nazionale) vormden de militaire tak van de Partito Nazionale Fascista, de Italiaanse Fascistische Partij. In eerste instantie hield de militie toezicht op de openbare orde, maar vanaf het begin van de jaren ’30 werd het gemotoriseerd en werd het beschouwd als het vierde krijgsmachtdeel, na het leger, luchtmacht en marine. De MSVN bestond uit leden (17 tot 50 jaar) van de Fascistische Partij die zich vrijwillig hadden opgegeven.

In een poging de MSVN in het reguliere leger te kunnen integreren, werd er aan elke infanteriedivisie een Zwarthemden ‘legioen’ (twee bataljons van elk 670 man) toegevoegd. Zij moesten met hun superieure motivatie een voorbeeld vormen voor de reguliere soldaten. De toevoeging van de MSVN aan het leger was tegen het zere been van de legercommandanten, die de MSVN niet vertrouwden vanwege hun gebrek aan militaire ervaring. Naast de legioenen werden er ook nog eens zeven MSVN-divisies gevormd voor de Ethiopische veldtocht van 1935-1936. Daarnaast werden er vier MSVN-divisies gevormd voor de strijd in Noord-Afrika in 1940, maar deze werden in de beginfase nagenoeg vernietigd. In de loop van de oorlog kregen de meer betrouwbare MSVN-eenheden de titel ‘M Bataljons’ en sommigen vochten tegen partizanen in de Sovjet-Unie en op de Balkan.