Het Keizerlijke Japanse Leger

In 1931 telde het Japanse leger in vredestijd 17 actieve divisies met ongeveer 300.000 man. Op dat moment was dit genoeg voor de taken die het leger geacht werd om uit te voeren. Maar na het begin van de veldtocht in Mantsjoerije moest het leger uitgebreid worden om aan de nieuwe eisen te kunnen voldoen. Bij het ‘officiële’ begin van de Chinees-Japanse Oorlog in september 1937 was het gegroeid naar 24 divisies en het jaar erop, tegen de achtergrond van zware gevechten langs een groot front, was het vergroot naar 34 divisies. Bij het uitbreken van de oorlog in de Stille Oceaan beschikte het Japanse Keizerlijke Leger over 51 divisies, waarvan er 27 actief waren in China en 13 de grens met Mongolië bewaakte tegen een mogelijke Sovjet aanval. Het totaal aantal troepen dat beschikbaar waren voor het offensief in de Stille Oceaan was ongeveer 400.000.

Als staatshoofd was de Keizer de opperbevelhebber van de strijdkrachten. In 1926 erfde Hirohito de troon. Het daadwerkelijke bevel werd overigens gevoerd door het Algemene Keizerlijke Hoofdkwartier, dat advies kreeg van de Opperste Militaire Raad en de Raad van Maarschalken en Admiralen.

De bevelstructuur liep vanaf het Algemene Keizerlijke Hoofdkwartier naar de diverse legergroepen (zoals het Expeditieleger China), die onder het bevel stonden van een maarschalk of generaal. De legergroep bestond uit twee of meer regiolegers, elk onder bevel van een generaal of luitenant-generaal, en bestaande uit twee of meer legers en, later, een luchtleger. Het Centraal Chinese Frontleger bestond bijvoorbeeld uit het 11e, 13e en 23e Leger. Hierbij moet worden opgemerkt dat een Japans ‘leger’ qua omvang meer weg had van een West-Europees legerkorps. Een dergelijk leger werd geleid door een luitenant-generaal en bestond uit twee of meer divisies en een aantal onafhankelijke ondersteunende brigades.

Infanteriedivisies
Elke divisie werd geleid door een generaal-majoor. De divisies van het Japanse Keizerlijke Leger vielen grofweg in drie categorieën: Type A, B en C.

De Type B divisie was de norm en bestond uit drie infanterieregimenten, een artillerie-, genie- en transportregiment en een verkenningseenheid van bataljonsgrootte. Er bestonden echter meerdere variaties. Sommige divisies hadden een verkenningseenheid te paard in plaats van een gemotoriseerde. Anderen hadden een compagnie tankettes in plaats van of als aanvulling op de verkenningseenheid. In sommige gevallen werd het veldgeschut vervangen door berggeschut. De samenstelling van een divisie stond niet vast en kon variëren. Gemiddeld beschikte een Type B divisie over 20.000 man.

Elke divisie had ook een regionale benaming en haar infanterieregimenten rekruteerden hun soldaten uit een vastgesteld gebied. Bijvoorbeeld, de 14e (Utsonomiya) Divisie bestond uit de 2e (Mito), 15e (Maebashi) en 59e (Utsonomiya) Infanterieregimenten. De soldaten van de ondersteunende eenheden kwamen uit de hele regio en hun eenheden namen doorgaans het nummer van de divisie aan, met uitzondering van de artillerie.

De Type A divisie beschikte over meer infanterie (5.526 meer dan een Type B divisie), meer en zwaardere artillerie en soms over een tankbataljon. Dit zorgde ervoor dat een Type A divisie uit 29.408 man bestond.

De Type C divisie was een zwakke formatie dat bestond uit twee infanteriebrigades, niet beschikte over artillerie en een minimum aan ondersteunende eenheden. Deze divisies werden doorgaans ingezet voor gevechten tegen guerrilla’s in China. Een Type C divisie had 13.000 man.

Infanterieregimenten, bataljons en compagnieën
Het Type B infanterieregiment, aangevoerd door een kolonel, bestond uit een staf, drie infanteriebataljons van elk 1.099 man, een verbindingscompagnie, een compagnie infanteriegeschut en een anti-tankcompagnie.

Het Type B bataljon werd geleid door een majoor en bestond uit vier 181 man sterke infanteriecompagnieën, een compagnie machinegeweren, en een peloton infanteriegeschut. De infanteriecompagnie, onder leiding van een kapitein of luitenant eerste klasse, had drie 54 man sterke pelotons onder een luitenant tweede klasse, elk van vier secties – elk bewapend met een licht machinegeweer, een mortier en een dozijn infanteristen.

Het versterkte infanterieregiment van de Type A divisies verschilde hiervan doordat het drie bataljons had van elk 1.626 man en een bataljon infanteriegeschut (in plaats van een compagnie). Binnen elk bataljon waren de infanteriecompagnieën 262 man sterk, en soms hadden ze ook een zware wapenspeloton en een munitiepeloton. Elk peloton had 62 man.

Cavaleriebrigades
Naast het cavalerieregiment dat soms deel uitmaakte van de infanteriedivisie, was de brigade de voornaamste cavalerie-eenheid. Vier onafhankelijke cavaleriebrigades dienden enkel aan het Chinese front, waar de grote afstanden hen zeer belangrijk maakte. De Japanners rekruteerden ook lokale Mongoolse paardrijders om dienst te doen aan de grens met Mongolië. Eén kleine eenheid – het 5e Verkenningsbataljon – werd buiten China ingezet en vocht in 1942 in Maleisië. De cavaleriebrigade was 5.000 tot 6.000 man sterk en bestond uit twee cavalerieregimenten (elk 950 tot 1.200 man sterk), een artillerieregiment, een eenheid tankettes en geneeskundige, diergeneeskundige, logstieke en genie-eenheden.

Pantsereenheden
In eerste instantie beschikte Japan over relatief veel tanks, waarvan de kwaliteit begin jaren ’30 vergelijkbaar was met die van andere landen.  Maar de dikte van het pantser en de zwaarte van de bewapening werden minder belangrijk gevonden dan mobiliteit en snelheid. Tijdens de gevechten tegen het Rode Leger in de zomer van 1939 bleek dat de tanks daardoor niet opgewassen waren tegen hun tegenhangers in andere landen. Japan haalde deze achterstand niet meer in. In 1941-1942 beschikten de geallieerde troepen die het tegen de Japanse eenheden moesten opnemen echter zelf ook niet over tanks of anti-tankgeschut, en de bemanningen van de Japanse tanks waren zeer bekwaam in nachtelijke gevechten en tijdens slecht weer. Verder stonden ze ook bekend om hun verhoogde agressiviteit. Pantserwagens en tankettes werden doorgaans ingezet voor verkenningsmissies en elke infanteriedivisie beschikte over een eigen compagnie. Een tankeenheid was vaak onderdeel van een Type A divisie en diende ter ondersteuning van de infanterie. De conservatie Japanse houding jegens de inzet van tanks zorgde ervoor dat het pas tot 1942 duurde alvorens de eerste Pantserdivisie werd gevormd. Uiteindelijk werden er vier opgericht tijdens de oorlog. Deze bestonden doorgaans uit vier tankregimenten met ondersteunende eenheden, waaronder een mobiele infanterie en een mobiele artillerieregiment. Het tankregiment bestond uit 800 tot 850 man, 27 lichte en 48 middelzware tanks, verdeeld over een staf, drie tankcompagnieën en ondersteuningseenheden.