Het Franse Leger

NB: Voor het gemak heb ik de informatie over het Franse leger in twee delen gesplitst. De informatie over de Vrije Franse troepen van na 1940 staat op de andere pagina. 

Het Franse leger van 1939 werd alom beschouwd als het sterkte leger ter wereld. Maar zoals de gebeurtenissen in de daaropvolgende tien maanden zou aantonen, zat dit leger vol met zwaktepunten. Veel daarvan waren afkomstig uit de houding van het Franse opperbevel tijdens het einde van de Eerste Wereldoorlog. Zij waren vastbesloten dat Frankrijk niet nog eens zo’n bloedbad moest ondergaan. Ook moesten zij een strategie bedenken die rekening hield met een voorspeld tekort aan mankracht, als gevolg van een daling in het geboortecijfer, wat op haar beurt weer een logisch gevolg is van de vele doden tijdens de Eerste Wereldoorlog. Elk van de lichtingen tussen 1935 en 1939 bevatte 140.000 man te weinig. Hierdoor namen de Fransen een defensieve houding aan. Nadat ze het succes van de forten rondom Verdun en de loopgraven aan het Westelijk Front met eigen ogen hadden kunnen zien, bedachten de generaals een plan dat steunde op de bouw van een permanente linie fortificaties langs de Frans-Duitse grens, een linie die uiteindelijk werd vernoemd na de toenmalige minister van Oorlog, André Maginot.

In het daaropvolgende decennium domineerde de Maginotlinie het Franse militaire denken en tussen 1930 en 1936 nam het een groot deel van de defensiebegroting voor haar rekening. Deze defensieve strategie betekende echter niet een passieve houding. De Maginotlinie dekte slechts de Duits-Franse grens, voornamelijk uit kostenoverweging. Het opperbevel wilde deze linie verlengen tot aan de Belgisch-Duitse grens, wat haar totale lengte zou beperken en België bij haar plannen zou betrekken. Bovendien zouden de gevechten dit keer niet op Frans grondgebied plaatsvinden. Vanaf eind jaren ’20 werd duidelijk dat de mechanisering van een deel van het leger daarbij noodzakelijk was.

Pas in de tweede helft van de jaren ’30 begon Frankrijk met de herbewapening. Deze periode viel echter samen met grote politieke onrust en pas in de tweede helft van 1938 werd er op volle kracht geproduceerd in de wapenfabrieken. Dit was te weinig om het op te kunnen nemen tegen het innovatieve Duitse militaire denken, de zogenaamde Blitzkrieg, dat enkel gestopt kon worden door geografische barrières zoals het Kanaal of de enorme Russische steppen. Frankrijk beschikte over geen van beiden.

De organisatie van het leger in 1939-1940

V.l.n.r.: de generaals Gamelin, Georges, Billotte, Prétalat en Besson.

Generaal Maurice Gamelin was de opperbevelhebber, terwijl het belangrijkste front, het noordoosten, onder bevel stond van generaal Alphonse Georges. De Fransen hadden drie legergroepen (Groupe d’Armées, GA) daar gemobiliseerd, genummerd 1 t/m 3. Legergroep 1, onder generaal Gaston Billotte, bevatte vijf legers, inclusief het Britse Expeditieleger (BEF), en vormde de geallieerde linkerflank, met als opdracht België en Nederland bij te staan. Generaal André-Gaston Prétalats Legergroep 2 (drie legers) lag in stelling achter de Maginotlinie en Generaal Benoît Bessons Legergroep 3 (twee legers) moest een Duitse aanval via Zwitserland afslaan.

Legers, Korpsen en Infanteriedivisies

Elk Leger (Armeé), genummerd van 1 t/m 9, en het Alpenleger (Armée des Alpes) had slechts een klein aantal eenheden rechtstreeks onder haar bevel (diverse tankbataljons en genieregimenten). Elk legerkorps (Corps d’Armée, CA) kon vier groepen door paarden getrokken zware artillerie (24 105mm houwitsers en 24 155mm houwitsers). In gemotoriseerde korpsen (Corps d’Armée motorisée, CAM) waren dit drie groepen (24 105mm houwitsers en 12 155mm houwitsers). Verder beschikte elk korps over een genieregiment en een verkenningsgroep.

De meest voorkomende pion in de handen van het opperbevel was de infanteriedivisie (division d’infanterie, DI), dat bestond uit 500 officieren en 17.000 manschappen. Ondanks dat er veel verschillende infanteriedivisies bestonden, bestonden ze op papier allemaal uit drie infanterieregimenten (in totaal 9 bataljons), een anti-tankcompagnie (12 25mm anti-tankkanonnen), drie geniecompagnieën, twee artillerieregimenten (waarvan 2 uitgerust met zware artillerie), een anti-tankbatterij (8 47mm anti-tankkanonnen), een verkenningsgroep, twee verbindingscompagnieën, twee transportcompagnieën, een geneeskundige groep en een bevoorradingsgroep. Sommige divisies van de B-Reserve beschikten over slechts één regiment artillerie (vier groepen, waarvan één met zware artillerie) en hadden te kampen met een gebrek aan materiaal, met name wat betreft antitankgeschut.

Voor de expeditie naar Noorwegen werden drie lichte infanteriedivisies (division légère d’infanterie, DLI) gevormd die bestonden uit slechts zes bataljons en een enkele artilleriegroep. Alle nieuwe infanterieformaties die eind mei 1940 werden gevormd uit de restanten van de troepen die bij Sedan waren verslagen of vanuit Duinkerken geëvacueerd waren, waren ook van dit type, maar dan versterkt met een tweede artilleriegroep met 75mm houwitsers en een verkenningseskadron.

Infanterie

Een typische Franse infanterist in 1939-1940

De veldtocht van 1939-1940 was de laatste waarin de Franse infanterie op grote schaal werd ingezet. Maar de troepen die naar het front trokken waren nog maar een schaduw van hen die tijdens de vorige oorlog waren ingezet. Op 10 mei 1940 waren er nog maar 215 infanterieregimenten te velde, in tegenstelling tot 350 in augustus 1914.

Elk infanterieregiment (régiment d’infanterie, RI) was ongeveer even groot en bestond uit 80 officieren en 3.000 manschappen, verdeeld over drie bataljons. De regimenten vielen echter in verschillende categorieën. Het leger in vredestijd bestond uit 64 linieregimenten: 24 zogenoemde ‘normale’ regimenten die onderdeel waren van de infanteriedivisies, 20 gemotoriseerde regimenten (régiment motorisée, RM) die onderdeel waren van de gemotoriseerde divisies (division d’infanterie motorisée, DIM), acht regimenten bergtroepen (régiment d’infanterie alpine, RIA) en 12 vestingsregimenten (régiment d’infanterie de forteresse, RIF) die de Maginotlinie bemanden. Er waren ook nog eens drie onafhankelijke brigades bergvestingstroepen (demi-brigade alpine de forteresse, DBAF), in totaal zeven onafhankelijke bataljons, die gestationeerd waren aan de grens met Italië.

Het leger kende in vredestijd ook nog een aantal lichte infanteriebataljons (bataillons chasseurs): 11 bataljons lichte infanterie (chasseurs à pied, BCP) en 12 bataljons lichte bergtroepen (chasseurs alpins). Lichte infanteriebataljons waren vaak onderdeel van onafhankelijke regimenten van elk drie bataljons. Vier bataljons (het 4e, 5e, 16e en 17e) werden omgevormd tot gemotoriseerde bataljons (bataillons portés) zodat ze het infanteriecomponent van de pantserdivisies konden vormen.

Tijdens de mobilisatie werd de infanterie versterkt door de oprichting van nog eens 85 regimenten en onafhankelijke regimenten als Type A reservisten. Deze regimenten bestonden met name uit reservisten die recent nog in dienst waren geweest. Maar omdat de dienstplicht pas in 1935 was verlengd van één naar twee jaar, hadden de meeste reservisten die in 1939 opgeroepen werden slechts één jaar nauwelijks adequate training achter de rug. Verder werden er nog eens 61 regimenten gevormd van Type B reservisten, die bestonden uit reservisten tussen de 30 en 50 jaar oud. Ondanks hun relatief hoge leeftijd, waren zij niet per definitie niet effectief. De perimeter rondom Duinkerken werd verdedigd door Type B regimenten die veel beter presteerden dan sommige van hun jongere collega’s. In de lente van 1940 werden er nog eens 18 regimenten gevormd van bataljons die losgeraakt waren van hun regiment of van opleidingsdepots.

De lichte infanteriebataljons werden ook versterkt tijdens de mobilisatie met 18 Type A en Type B bataljons lichte infanterie en 23 Type A en Type B bataljons lichte berginfanterie. Vanaf september 1939 omvatte de lichte infanterie ook tien bataljons met soldaten uit de Pyreneeën (chasseurs pyrénéens) en de specialistische skitroepen van het 199e Bataillon de chasseurs de haute montagne, die formeel onderdeel waren van de bataljons bergvestingstroepen.

De in 1939-1940 gemobiliseerde infanterie omvatte ook 11 ondersteuningsbataljons met zware machinegeweren, 8 gemotoriseerde ondersteuningsbataljons met zware machinegeweren en 67 genieregimenten. De genieregimenten bestonden doorgaans uit oudere mannen en waren niet uitgerust met het complete arsenaal dat toegewezen werd aan infanterieregimenten.

Elk infanteriebataljon van 20 officieren en 850 manschappen bestond uit drie infanteriecompagnieën van 4 officieren en 190 man elk (elk weer onderverdeeld in een staf met een 60mm mortier en vier pelotons, elk van drie secties) en een ondersteuningscompagnie van 4 officieren en 190 man (onderverdeeld in drie ondersteuningspelotons met elk 4 machinegeweren en een peloton dat beschikte over twee 25mm anti-tankkanonnen en twee 81mm mortieren). Het regiment bevatte ook een staf, een verzorgingscompagnie (transport, geneeskundige diensten) en een extra ondersteuningscompagnie van 3 officieren en 100 man met nog eens zes 25mm anti-tankkanonnen, twee 81mm mortieren en drie Renault UE pantserrupstractoren.

Soldaten uit Senegal in dienst van het Franse leger.

Het koloniale rijk leverde een omvangrijke aanvulling op de infanterie. Op 10 mei 1940 waren op alle fronten maar liefst 14 regimenten zoeaven (régiment de zouaves (RZ), bestaande uit Fransen uit Noord-Afrika), 42 regimenten met Algerijnse, Tunesische en Marokkaanse infanteristen (régiment de tirailleurs algériens/tunisiens/marocains), 13 bataljons lichte infanterie (demi-brigade d’infanterie légère, bestaande uit lichte criminelen) en 59 koloniale regimenten (régiment d’infanterie coloniale, bestaande uit in Afrika of Azië woonachtige Fransen, Malagassiërs en soldaten uit Frans-Indochina). Deze regimenten waren grotendeels langs dezelfde lijnen opgebouwd als de reguliere regimenten. Samen met het Franse Vreemdelingenlegioen en andere buitenlandse vrijwilligers (régiment de légion étrangère of régiment étranger d’infanterie; 12 regimenten en onafhankelijke regimenten) bestond de Franse infanterie op 10 mei 1940 uit 1.130 bataljons (exclusief de genisten).

Bij het uitbreken van de oorlog werden er ook een aantal régiments régionaux de protection en régiment régionaux de travailleurs gevormd. Beiden bestonden uit mannen die niet langer dienstplichtig waren, maar nog steeds konden vechten. De eerstgenoemde moest de verbindingslijnen in de gebieden achter het front bewaken en de laatstgenoemde kreeg genietaken toebedeeld.

Het wapen der infanterietanks

Franse tankeenheden waren afkomstig uit twee verschillende dienstvakken: de Chars de Combat, de oorspronkelijke tankeenheden van het leger die waren uitgerust met infanterietanks en regimenten voormalig bereden cavalerie.

Hoewel de Chars de Combat in 1916 werden opgericht als onderdeel van de artillerie, was dit dienstvak door haar bedenker, generaal Jean Estienne, bedacht als een volledig onafhankelijk dienstvak. Hij had in zijn hoofd een mobiel pantserkorps van 100.000 man die tot in het hart van de vijandelijke linies met verwoestend effect moesten doordringen. Maar dit idee werd niet uitgevoerd. In 1920 werden tanks verbonden aan de infanterie en daarmee ondergeschikt gemaakt aan een meer langzame tactieken. Het idee om echte ‘mobiele divisies’ te vormen, die zouden bestaan uit tanks, gemotoriseerde infanterie en artillerie, werd in Frankrijk voor het eerst onderzocht in 1929 door generaal Aimé Doumenc. In 1934 stelde luitenant-kolonel Charles de Gaulle het idee voor om een eliteleger te vormen; een mobiel pantserkorps van zes divisies en een lichte divisie, en volledig bestaande uit beroepssoldaten. De Franse regering zat echter niet op een pantserkorps te wachten, omdat dit niet paste bij hun defensieve strategie. Ook wilde het om politieke redenen geen beroepsleger vormen. Verder werd in 1936 besloten dat twee pantserdivisies gevormd zouden worden voor enkel het uitvoeren van een tegenaanval en het forceren van een doorbraak. Maar de daadwerkelijke oprichting van deze formaties werd vertraagd door een gebrek aan materiaal (met name de Char B zware tanks). Pas in januari 1940 konden de 1e en 2e Pantserdivisies (Division cuirassée) worden gevormd, en zelfs dan nog bestaande uit de helft van haar omvang. De 3e Pantserdivisie werd in maart opgericht en de 4e, onder bevel van De Gaulle, halverwege de gevechten van mei 1940.

In sommige opzichten waren de Franse tanks beter dan de Panzers I en II waarmee de meerderheid van de Duitse pantsertroepen uitgerust waren. De Char B1 bis en de Somua S35 waren zowel beter bepantserd als beter bewapend. Maar de Franse tanks, en dan vooral de infanterietanks, waren erg langzaam. De lichtere tanks waren daarentegen weer niet uitgerust met radio’s en hun hoofdbewapening werd door de tankcommandant bediend in een eenpersoonskoepel. Ook gaf hun kleine benzinetank hen maar een beperkt bereik. Verder stonden de chars de combat bataljons, met uitzondering van de pantserdivisies die uitgerust waren met de machtige Char B (twee bataljons in elke divisie: 68 tanks) en de snelle Hotchkiss H39 lichte tank (twee bataljons in elke divisie: 90 tanks), verspreid langs de hele frontlinie gestationeerd om de infanterie te ondersteunen. Op verzoek van de legerleiding hield de Franse industrie zich voornamelijk bezig met het produceren van infanterietanks. Ze slaagden erin 1.650 Renault R35/40 tanks te maken om het verouderde FT model te vervangen.

Cavalerie

Net zoals haar tegenhangers in de andere legers was de Franse cavalerie van 1939-1940 een combinatie van traditie en moderniteit, met sommige volledig gemechaniseerde formaties, terwijl anderen nog steeds bereden waren.

In de jaren ’20 waren er vijf cavaleriedivisies (division de cavalerie, DC), elk bestaande uit drie brigades (zes regimenten) en een regiment bereden artillerie. Twee of drie eskadrons met White pantserwagens, stammend uit 1918, waren het enige gemechaniseerde onderdeel. Als infanteriecomponent bevatte elke divisie een groep fietsinfanterie. Vanaf 1929 werd de artillerie gemotoriseerd en de fietsinfanterie uitgerust met motoren met zijspan en Citroën-Kégresse halfrupsvoertuigen. De pantserwagens werden ondertussen samengevoegd tot een groep (groupe d’automitrailleuses, GAM) en vanaf 1939 tot een regiment (régiment d’automitrailleuses, RAM) van zes eskadrons. Deze nieuwe cavaleriedivisies (DC type 1932) bevatten nog maar twee bereden brigades (vier regimenten) en een lichte gemechaniseerde brigade (brigade légère mécanique, BLM), dat de gemotoriseerde infanterie en pantserwagens bevatte. De genisten en andere ondersteunende eenheden werden ook gemotoriseerd.

Eem groep AMR 35 lichte tanks behorend tot de 1re DLM.

Vanaf 1933 onderging de 4e DC een meer radicale verandering en werd het volledig gemotoriseerd en bepantserd. Vanaf 1935 kwam zij bekend te staan als de 1re Division Légère Mécanique (DLM). De 5e DC onderging hetzelfde proces in 1936 en werd daarmee de 2e DLM. De twee nieuwe divisies werden uitgerust met de nieuwe Somua S35; een snelle, goed bewapende en zwaar bepantserde tank. Hoewel ze de benaming ‘lichte’ in hun naam hadden, waren de DLM’s het Franse equivalent van een Duitse Panzerdivisie en bevatten ze meer dan 300 pantservoertuigen: 190 tanks (95 S35’s en 95 Hotchkiss H35’s), 69 Renault AMR35’s (ter ondersteuning van de gemotoriseerde infanterie) en 48 Panhard AMD pantserwielvoertuigen (voor twee eskadrons van het verkenningsregiment, de andere twee waren uitgerust met motoren met zijspan). Het gemotoriseerde infanterie regiment van deze divisies waren sterke eenheden van drie bataljons (elk met een eskadron AMR 35’s, een met motor/zijspan en drie met Laffly S20TL wielvoertuigen of Lorraine L28 rupsvoertuigen). Het artillerieregiment, dat uitgerust was met pantserrupstractoren, was drie groepen sterk (24 75mm houwitsers en 12 105mm houwitsers).

In september 1939 waren er dus vijf cavaleriedivisies actief (1re, 2e en 3e DC en de 1re en 2e DLM). In februari werden de drie DC’s omgevormd tot vijf lichte divisies (division légère, DL), die een maand later, op 5 maart 1940, omgedoopt werden tot lichte cavaleriedivisies (division légère de cavalerie, DLC). Elk van deze bevatte slechts één bereden brigade en een verkleind gemotoriseerde infanterieregiment van elk twee bataljons en twee, in plaats van drie, groepen per artillerieregiment. De bereden regimenten bleven ongewijzigd qua opbouw en hadden vier eskadrons (met elk 5 officieren en 172 mannen in vier secties) plus een eskadron zware wapens (met zes officieren en 208 man, uitgerust met 12 machinegeweren, vier 60mm mortieren en vier 25mm anti-tankkanonnen); in totaal 1.100 man. Elke DLM en DLC had ook een anti-tankeskadron (12 25mm wapens) tot hun beschikking die bemand werden door de cavalerie en een anti-tankbatterij (met acht 47mm wapens) die door de artillerie werd bemand.

Een 3e DLM werd in februari 1940 gevormd en een vierde moest op 1 juli volgen, maar haar regimenten die in mei al klaar waren werden in plaats daarvan samengevoegd tot de ‘Gevechtsgroep De Gaulle’ (groupement de Gaulle), de oorspronkelijke naam van de 4e DCR. Begin juni werden de 1re en 4e DLC omgevormd tot ‘verkleinde DLM’s’ en kregen ze een nieuw nummer: de 4e en 7e DLM. Tegelijkertijd werden de oorspronkelijke drie DLM’s na de zware gevechten in mei uitgerust met het absolute minimum aan manschappen en uitrusting.

Behalve deze divisies bevatte de cavalerie vier onafhankelijke bereden brigades (drie bestonden uit Noord-Afrikaanse Spahi’s en de vierde was een brigade die na de vorming van de DLC’s was overgebleven). Het andere cavaleriecomponent bestond uit de talloze verkenningseenheden die onderdeel waren van infanteriedivisies (groupe de reconnaissance de division d’infanterie, GRDI) en legerkorpsen (groupe de reconnaissance de corps d’armée, GRCA). Deze eenheden, die de vuurkracht hadden van een klein bataljon, bevatten doorgaans een bereden eskadron (twee in het geval van een GRCA), een motorrijderseskadron en een zware wapenseskadron met vrachtwagens. De verkenningseenheden die deel uitmaakten van gemotoriseerde informaties hadden geen bereden eenheid, maar in plaats daarvan twee eskadrons pantserwagens.

Artillerie

“Ik haat de Franse artillerie”, zei maarschalk Ludendorff in 1918. Dit enorme dienstvak met meer dan 10.500 vuurmonden van allerlei kaliber stond het Franse leger in 1939-1940 nog steeds ter beschikking. Na de hervormingen van 1923 werden alle regimenten genummerd van 1 t/m 409 en werd hun rol duidelijk aan het nummer dat ze kregen. Zo waren de regimenten met de nummers 141 t/m 149 bereden zware artillerie en 171 t/m 174 regimenten met zeer zware artilleriestukken. Alle artillerie-eenheden werden door paarden of zware pantserrupstractoren, wat natuurlijk gevolgen hadden voor hun mobiliteit in geval van een luchtaanval. Er waren slechts een paar gemechaniseerde, geïmproviseerde vuurmonden.

Een infanteriedivisie had doorgaans een regiment veldartillerie (drie groepen van 36 75mm houwitsers) en een zwaar regiment (twee groepen van 24 155mm houwitsers of soms 12 105mm houwitsers en 12 155mm houwitsers). Diverse Type B Reserve divisies beschikten slechts over één regiment (vier groepen van 36 75mm houwitsers en 12 155mm houwitsers). Behalve de artillerie die ingedeeld was bij divisies en legerkorpsen, behoorden veel artillerieregimenten tot de Algemene Artilleriereserve die ter beschikking stonden van de opperbevelhebber. In 1939-1940 werden meer dan 300 regimenten gemobiliseerd, maar zij waren doorgaans uitgerust met materiaal uit 1918. De weinige innovaties binnen de artillerie bestond vooral uit de toevoeging van rubber wielen aan bestaande vuurmonden. Hoewel er ook nieuwe types werden geproduceerd, lag de focus op de productie van anti-tankwapens en luchtafweergeschut.