Het Amerikaanse Leger

Het Amerikaanse leger begon eind jaren ’30 aan een reorganisatie. De oude 24.000 man sterke ‘vierkanten’ divisie met vier infanterieregimenten werd verkleind naar een 15.500 man sterke ‘driehoekige’ divisie met drie regimenten. Met de nieuwe organisatie en wapens behield de ‘driehoekige’ divisie dezelfde vuurkracht, maar won het aan flexibiliteit en mobiliteit. Tegen 1943 werd de infanteriedivisie verder teruggebracht naar 14.253 man, nog steeds met drie infanterieregimenten.

Een belangrijke, typisch Amerikaanse, tactische innovatie was het Regimental Combat Team (RCT). Dit waren eenheden die tijdelijk weggehaald waren bij divisies of onafhankelijke eenheden die rechtstreeks onder het bevel stonden van een legerkorps. De meest voorkomende van deze onafhankelijke eenheden waren gemechaniseerde cavaleriegroepen en -eskadrons, artilleriebataljons, luchtafweerbataljons, tankbataljons en tankjagerbataljons. Zij konden na gelang de omstandigheden toegevoegd worden aan een divisie voor extra ondersteuning. Al met al vormden deze RCT’s bij elkaar 15 divisies.

Een infanterieregiment (4.000 man) bestond uit een stafcompagnie, drie infanteriebataljons, een anti-tankcompagnie (9 tot 12 x 37mm of 57mm pantserafweergeschut), een artilleriecompagnie (6 x 105mm stukken) en een ondersteuningscompagnie. De divisieartillerie bestond uit een bataljon zware artillerie (12 x 155mm stukken) en drie bataljons middelzware artillerie (36 x 105mm stukken). De artilleriecompagnieën van de regimenten werden vaak samengevoegd met de divisieartillerie. Later in de oorlog werden de 105mm stukken veldgeschut vervangen door gemechaniseerde vuurmonden van het type M7 Priest.

Een infanteriebataljon bestond uit 871 man, verdeeld over een stafcompagnie, drie infanteriecompagnieën en een ondersteuningscompagnie. Compagnieën waren 187 man sterk en bestonden uit drie infanteriepelotons en een ondersteuningspeloton. De ondersteuningscompagnie leverde extra vuurkracht in de vorm van acht zware machinegeweren, zes 81mm mortieren en zeven bazooka’s. Het ondersteuningspeloton beschikte over twee .30 machinegeweren, één .50 machinegeweer, drie 60mm mortieren en drie bazooka’s. De stafcompagnie van een bataljon had in eerste instantie zelf drie 37mm (later 57mm) anti-tankkanonnen, maar later in de oorlog werden ze toegevoegd aan de divisieartillerie.

Pantserdivisie

Het Amerikaanse leger was nog druk aan het experimenteren met pantsereenheden toen Duitse tanks Frankrijk onder de voet liepen. In juli 1940 waren de 1e en 2e Pantserdivisie gevormd als onderdelen van een Pantserkorps. In eerste instantie beschikte elk van deze divisies over twee lichte tankregimenten en een middelzwaar tankregiment. In 1942 was dit veranderd naar twee tankregimenten met elk drie bataljons en een pantserinfanterieregiment, dat ook bestond uit drie bataljons. De divisie had ook een verkenningsbataljon met lichte tanks en pantserwagens en drie bataljons met gemechaniseerde artilleriestukken.

De Pantserdivisie telde in 1942 14.620 man, 390 tanks en bijna 800 halfrupsvoertuigen. Dit type eenheid werd vaak aangeduid als een ‘zware divisie’. Tijdens het uitvoeren van operaties werden de eenheden van de divisie verdeeld tussen Combat Commands A en B (CCA en CCB). Deze Combat Commands waren samengestelde eenheden die per missie van samenstelling konden verschillen en in staat waren zelfstandig te opereren.

In 1943 werden de 1e, 2e en 3e ‘zware’ Pantserdivisies als te groot en niet flexibel genoeg gezien. De later gevormde divisies kenden geen regimenten meer. Zij bestonden uit drie tankbataljons, drie pantserinfanteriebataljons, drie artilleriebataljons en een verkenningseskadron. Deze nieuwe, lichte, pantserdivisies bestonden uit 10.900 man en 260 tanks. Tijdens gevechten werden de bataljons verdeeld tussen CCA, CCB en het nieuwe Combat Command Reserve (CCR). De 1e Pantserdivisie nam in juli 1944 de nieuwe samenstelling over, maar de 2e en 3e bleven vasthouden aan hun ‘zware’ organisatie.

Een Amerikaans tankbataljon bestond uit ongeveer 71 tanks en 729 man, verdeeld over drie tankcompagnieën, een lichte tankbataljon en een stafcompagnie. Het bataljon beschikte ook over drie 81mm mortieren en drie gemechaniseerde M8 75mm houwitsers. Elke tankcompagnie bestond uit drie pelotons van elk vijf tanks en een staf met twee tanks. In het laatste jaar van de oorlog kreeg elke compagnie de beschikking over een gemechaniseerde houwitser.