De Ostlegionen

De Duitse verdediging van de Normandische kust was op 6 juni 1944 de verantwoordelijkheid van (van west naar oost): de 709e Infanteriedivisie, de 352e Infanteriedivisie en de 716e Infanteriedivisie. Twee daarvan, de 709e en 716e waren zgn. ‘statische’ divisies die niet over de voertuigen beschikten om zich te verplaatsen. Hun taak was simpel: vechten en sterven.

Deze taak werd echter niet alleen opgedragen aan de Duitse soldaten, maar ook aan de Oost-Europese en Russische vrijwilligers die dienst hadden genomen in de Duitse Wehrmacht. Deze vrijwilligers waren ingedeeld in zgn. ‘Ostbataljons’. Daarvan bevatte de 709e Divisie er maar liefst 5 (461, 635, 649, 795 en 797) en de 716e er 2 (439 en 642).

Dat de Wehrmacht, dat in dienst stond van een intrinsiek racistisch regime, ervoor koos ‘niet-arische’ soldaten te rekruteren is een bewijs voor de penibele situatie waar het Duitse leger in de zomer van 1944 in zat.

Deze opvallende beleidswijziging vond plaats een paar weken na het begin van de Russische veldtocht. Al vanaf de eerste dag van de veldtocht boden individuele Sovjet deserteurs of gevangenen hun diensten aan bij het Duitse leger. Deze ‘Hiwi’s’ (Hilfswillige) dienden vaak als chauffeurs, koks of brancardier, waarmee ze Duitse soldaten vrijmaakten voor dienst aan het front. Maar in sommige gevallen werden ze ingedeeld bij gevechtseenheden. In het begin gebeurde dit op initiatief van de plaatselijke Duitse bevelhebbers, vaak in weerwil van officiële bevelen. Meestal ging het hier om niet-Russische soldaten, zoals Balten, Oekraïners en Georgiërs. Doorgaans werden ze vooral ingezet voor de bewaking van het gebied achter het front.

Een kapitein inspecteert soldaten van een Ostlegion in Griekenland, mei 1943

De eerste zes bataljons werden in november 1941 gevormd in de sector van Legergroep Midden en kort daarna gaf de legerleiding formeel toestemming voor de oprichting van verdere eenheden. Hier werden echter twee voorwaarden aan verbonden: geen bataljon mocht uit meer dan 200 man bestaan en ze mochten enkel voor bewakingsdoeleinden worden gebruikt. Kort daarna leidde de situatie aan het front ertoe dat sommige van deze eenheden toch werden ingezet in gevechtssituaties en eind 1941 werd de oprichting van diverse vrijwilligerslegioenen bekendgemaakt, die qua taakstelling dezelfde status hadden als de vrijwilligerseenheden uit andere delen van Europa.

Op 15 december 1942 werd het Inspectoraat voor Oostelijke Troepen opgericht, geleid door generaal Heinz Hellmich (vanaf januari 1944 door generaal Ernst-August Köstring). Deze organisatie organiseerde de opleiding van nieuwe eenheden (doorgaans infanteriebataljons, maar ook cavalerie-eskadrons, geniebataljons en artillerie-eenheden). Maar na de opleiding werden de eenheden ondergebracht in een Duitse divisie, soms aan het front en soms in de gebieden achter het front.

Binnen het Duitse establishment begon er echter steeds meer weerstand te ontstaan tegen deze ‘Ostbataillonen’ en was er een campagne begonnen dat de opheffing van deze eenheden tot doel had. Deze campagne slaagde echter niet in haar opzet, omdat het Inspectoraat in de herfst van 1943 kon aantonen dat het aantal Oost-Europese vrijwilligers de omvang van zo’n 30 Duitse divisies had bereikt en dat de Wehrmacht dit verlies nooit zou kunnen opvangen met etnisch acceptabelere soldaten. Desalniettemin werd uit vrees voor een massale desertie besloten deze vrijwilligers naar de bezette landen in West- en Zuid-Europa te sturen.

Begin 1944 bevonden er zich 72 ‘Ostbataillonen’ in Frankrijk en werd in Conflans een academie opgericht voor de opleiding van Oost-Europese officieren. Omdat de meeste vrijwilligers dienst hadden genomen met de specifieke motivatie om tegen de Sovjets te vechten, kwam de overplaatsing naar West-Europa als een grote teleurstelling. Het is dus ook niet verwonderlijk dat deze eenheden weinig enthousiasme toonden toen ze de strijd met de westelijke geallieerden aan moesten gaan.

De emblemen van de Ostlegionen

De eerste vrijwilligers die dienst namen in het Duitse leger waren vooral afkomstig uit de Aziatische en Kaukasische volkeren. Deze gebieden waren nog maar enkele generaties geleden ingelijfd door het Russische Tsarenrijk en haar inwoners waren nog steeds fel nationalistisch. Zij zagen hun dienst in het Duitse leger als een eerste stap richting onafhankelijkheid.

De uit vele verschillende volkeren afkomstige vrijwilligers werden door de Duitsers in eerste instantie ingedeeld in ‘Kaukasiërs’ (iedereen uit de Kaukasus) en de ‘Turkomanen’ (iedereen uit Centraal-Azië). Op 30 december 1941 gaf de Duitse legerleiding opdracht tot de oprichting van diverse vrijwilligerslegioenen. Deze legioenen verzamelden soldaten uit grofweg dezelfde regio, bijvoorbeeld het Turkestaanse Legioen bevatte enkel soldaten uit het hedendaagse Kazachstan, Kirgizië, Oezbekistan en Turkmenistan. Daarnaast werden er ook Armeense, Azerbeidzjaanse en Georgische legioenen gevormd. Deze werden echter nooit als eenheid ingezet, maar opgesplitst in diverse bataljons die bij verschillende divisies dienst deden.

Turkmeense vrijwilligers in Noord-Frankrijk, 1944

De eerste bataljons, de 44e, 450e en 452e van het Turkestaanse Legioen, verlieten in het voorjaar van 1942 hun trainingsgebied in Polen om dienst te doen aan het front. In het najaar van 1942 volgde een tweede lichting: bataljons 781 t/m 784 (Turkestaans Legioen), 795 en 796 (Georgische Legioen), 800 t/m 802 (Noord-Kaukasische Legioen), 804 en 805 (Azerbeidzjaanse Legioen) en 808 en 809 (Armeense Legioen). De derde lichting uit het voorjaar van 1943 bestond uit de bataljons 785 en 789 (Turkestaans Legioen), 797 t/m 799 en 822 (Georgische Legioen), 803 (Noord-Kaukasische Legioen), 806, 807, 817 en 818 (Azerbeidzjaanse Legioen), 810 t/m 813 (Armeense Legioen) en 825 t/m 827 (Volga-Tartaarse Legioen) en een vierde golf uit het najaar van 1943 uit de bataljons 790 t/m 792 (Turkestaans Legioen), 814 t/m 816 (Armeense Legioen), 819 en 820 (Azerbeidzjaanse Legioen), 823 en 824 (Georgische Legioen), 828 t/m 831 (Volga-Tartaarse Legioen) en 835 t/m 837 (Noord-Kaukasische Legioen).

Na het opleiden van 53 bataljons (14 Turkestaanse, 8 Azerbeidzjaanse, 8 Georgische, 9 Armeense en 7 Volga-Tartaarse) werd het Kommando der Ostlegionen eind 1943 opgeheven. Deze organisatie was echter niet de enige die Oost-Europese vrijwilligers opleidde voor dienst in het Duitse leger. Een tweede formatie was de 162e Infanteriedivisie onder generaal Oskar von Niedermayer. Deze bataljons kregen niet hun eigen nummers, maar werden simpelweg opgenomen in al bestaande eenheden. Onder de energie leiding van Von Niedermayer werden er in twaalf maanden tijd 36 bataljons opgeleid.

Al met al hebben zo’n 175.000 soldaten in de Ostlegionen gediend. Na de oorlog werden de Oost-Europese vrijwilligers die door de westelijke geallieerden gevangen waren genomen, uitgeleverd aan de Sovjet-Unie. Daar kregen ze vaak jarenlange gevangenisstraffen of werden ze tewerkgesteld in de gevreesde goelags.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s