Stalingrad in het Westen: de strijd om het Ruhrgebied

In de derde week van maart 1945 lanceerden de Brits-Amerikaanse troepen een reeks gecoördineerde offensieven om de Rijn over te steken. Operatie Plunder van 24 maart was de meest uitgewerkte en overdadige geallieerde operatie sinds de landingen van D-Day. De gehele Britse 21e Legergroep (veldmaarschalk Bernard Montgomery), een miljoen soldaten in 30 divisies, nam eraan deel, inclusief een luchtlandingsoperatie. Het Amerikaanse 9e Leger (luitenant-generaal Bill Simpson) was tijdelijk afgesplitst van de Amerikaanse 12e Legergroep (luitenant-generaal Omar Bradley) om met Operatie Flashpoint de zuidelijke flank van de Britse oversteek te dekken. De 12e Legergroep lanceerde Operatie Voyage, de uitbraak uit het bruggenhoofd bij Remagen. Hoewel het volgens schema een dag later zou beginnen dan Operatie Plunder, had Bradley zijn 3e Leger (luitenant-generaal George Patton) toestemming gegeven de Rijn over te steken toen de gelegenheid zich op 23 maart voortdeed bij Oppenheim.

Bradley’s aanval ten zuiden van de Ruhr verliep beter dan verwacht, geholpen als het werd door de verkeerde opstelling van Duitse troepen rondom het bruggenhoofd van Remagen. Veldmaarschalk Walter Model, de commandant van Legergroep B, had verwacht dat het zwaartepunt van de uitbraak bij Remagen plaats zou vinden in het noordelijke deel, zodat het Amerikaanse 1e Leger (luitenant-generaal Courtney Hodges)  langs de Rijn kon oprukken en contact kon maken met het 9e Leger alvorens de aanval op het Ruhrgebied te openen. In plaats daarvan lag het zwaartepunt in het zuiden, met de inname en het gebruik van de daar gelegen snelweg als doel.

Models dilemma kwam niet alleen voort uit een foutieve inschatting van de Amerikaanse bedoelingen, maar ook uit de zwakte van zijn troepen. Legergroep B had in maart 1945 enorme verliezen geleden tijdens de terugtocht naar de Rijn en maar weinig versterkingen ontvangen. Het front langs de Rijn werd verdedigd door de verzwakte 5e Panzerleger (kolonel-generaal Josef Harpe), dat zes onderbemande divisies had en daardoor maar 15 soldaten per kilometer kon opstellen. Het gebied rond het bruggenhoofd bij Remagen werd verdedigd door de 14 ‘divisies’ van het 15e Leger (generaal Gustav-Adolf von Zangen), die in de officiële documenten Kampfgruppen werden genoemd om hun ellendige staat weer te geven. Zij konden gezamenlijk 80 soldaten per kilometer opstellen. De gehele legergroep beschikte over slechts twee reservedivisies. Daar stond tegenover dat er voldoende artillerie aanwezig was, versterkt met grote aantallen zware luchtdoelbatterijen die de talloze industriesteden verdedigden. Een dag voor Montgomery’s oversteek gaf Berlijn Model opdracht de 11e Panzerdivisie af te staan aan Legergroep G om met de onverwachte oversteek van Patton af te rekenen. Hierdoor nam het aantal tanks onder Models bevel af tot 65, waarvan er 50 zich aan het front bevonden en 15 als reserve werden aangehouden.

Daarentegen waren de Amerikaanse legers voldoende uitgerust. Het 9e Leger beschikte over 1.170 M4 Sherman middelzware tanks en 620 lichte tanks. Het 1e Leger had 1.050 M4 Sherman middelzware tanks en 625 lichte tanks.

Het 9e Leger lanceerde nog voor zonsopgang van 24 maart haar aanval samen met Montgomery’s Operatie Plunder met een uur lang durende artilleriebeschieting van de stellingen van de Duitse 180e Infanteriedivisie tussen Wesel en Dinslaken. De Duitse verdedigers waren volledig in shock door de intensiteit van het bombardement. De oversteek van de Rijn werd gedaan via aanvalsboten, die werden ondersteund door amfibische pantservoertuigen. Het zware materiaal werd vervoerd aan boord van landingsschepen die vanaf de Noordzee naar de Rijn waren gebracht. In de vroege ochtend waren er twee infanteriedivisies de rivier overgestoken en hadden ze een bruggenhoofd van 5 tot 7 kilometer diep gevestigd. Het aantal verliezen bleef beperkt door de vernietigende artilleriebeschieting. De 180e Infanteriedivisie was vernietigd, waarbij er meer dan 2.000 gevangenen werden genomen tijden die eerste dag van het offensief.

Hodges’ Amerikaanse 1e Leger begon Operatie Voyage in de vroege ochtend van 25 maart. De aanval werd gelanceerd door drie legerkorpsen, waaronder vijf infanterie- en twee pantserdivisies. Binnen een paar uur na het begin van de aanval had Models hoofdkwartier het contact met het 74e en 67e Legerkorps verloren, die allebei onder de voet gelopen waren. Het zwaartepunt van de Amerikaanse aanval lag bij de sector van het 67e Legerkorps, dat zodanig overweldigd werd dat legerkorpscommandant generaal Otto Hitzfeld bevel gaf tot een algehele terugtocht. Het korps viel uit elkaar en kon pas na een week weer contact maken met Legergroep B, toen haar uitgeputte restanten aangekomen waren bij Fulda. Het 74e Korps van kolonel-generaal Carl Püchler had geprobeerd zich terug te trekken naar een tweede verdedigingslinie, maar dit was door de Amerikanen verstoord. De resten van de 9e Panzerdivisie werden onder de voet gelopen en de 340e Volksgrenadierdivisie was vernietigd. het Amerikaanse 1e Leger had tijdens de eerste dag een groot bruggenhoofd gevestigd en Legergroep B was niet eens op de hoogte van de omvang van de Amerikaanse terreinwinst.

De situatie verslechterde nog verder voor de Duitsers nadat de 4e Pantserdivisie van Pattons Amerikaanse 3e Leger uit het bruggenhoofd van Oppenheim was gebroken, de rivier de Main was overgestoken en noordwaarts oprukte om contact te maken met het Amerikaanse 1e Leger. Het 89e Legerkorps van kolonel-generaal Gustav Höhne kwam in de val te zitten tussen de Amerikaanse 1e en 3e Legers, en haar ineenstorting door de aanhoudende aanvallen zorgde voor een groot gat tussen de Legergroepen B en G.

De geallieerde offensieven van 24 en 25 maart dreigde Legergroep B van Legergroep G af te snijden. Model was er maar al te goed van op de hoogte dat Hitler geen toestemming zou geven voor een terugtocht en dus deed hij een nieuw, goed doordacht geformuleerd, verzoek aan het hoofdkwartier van de Opperbevelhebber-West (OB West), veldmaarschalk Albert Kesselring, om een ‘nieuwe missie’. Terwijl hij op antwoord wachtte, reorganiseerde hij de verdediging van het Rughrgebied. De sector langs de Rijn werd niet bedreigd door de Amerikaanse troepen en kon slechts licht verdedigd worden. De sector in het noorden, en dan met name in het noordwesten, bestond uit een enorme conglomeratie van industriële steden, zoals Düsseldorf en Essen, dat verdedigd kon worden met een beperkt aantal infanterie-eenheden, ondersteund door de uitgebreide luchtartillerieposities. De sector in het zuiden en oosten bestond uit platteland en bossen en was daardoor het meest kwetsbaar voor een Amerikaanse aanval. De sector was essentieel om contact te houden met Duitse troepen buiten het Ruhrgebied of om uit een eventuele omsingeling te kunnen breken. Het was dan ook niet gek dat Model het zwaartepunt van zijn verdediging in het zuiden en oosten plaatste, waarbij het 15e Leger opgesteld werd langs de Sieg en Lahn rivieren. De verbinding met het hoofdkwartier van het 15e Leger was enkele dagen lang vrijwel verbroken. De enige noemenswaardige formatie in deze sector was het verzwakte 53e Korps onder luitenant-generaal Fritz Bayerlein.

Op 26 maart bracht Model een bezoek aan Bayerlein en gaf hij hem opdracht een tegenaanval op de noordelijke flank van het Amerikaanse 1e Leger voor te bereiden. Bayerlein wierp tegen dat hij, na het vertrek van de 11e Panzerdivisie, niet over mobiele eenheden beschikte om een dergelijke aanval uit te voeren. Model reageerde op deze tegenwerping met een enorme tirade. Bayerlein besefte dat het geen zin had met Model te discussiëren en hij nam zich voor het voortaan simpelweg met Model eens te zijn, of hij diens opdrachten nou uitvoerde of niet. Model had geen duidelijk beeld van de situatie ten zuiden van de Sieg rivier. Hij wilde nog steeds de naderende ramp niet erkennen en gaf Bayerlein opdracht zijn troepen naar Siegen terug te trekken, daar de leiding te nemen over de overgebleven pantsertroepen van de legergroep en een zuidwaartse tegenstoot voor te bereiden. Bayerlein noemde het bevel ‘onmogelijk, hopeloos en gestoord’. Model zag uiteindelijk de zinloosheid van een zuidwaartse tegenaanval in en gaf Bayerlein in plaats daarvan opdracht de linie langs de rivier de Sieg te versterken.

OB West had Models verzoek om een ‘nieuwe missie’ in de tussentijd afgewezen, nadat ze hadden vernomen dat Hitler het Ruhrgebied had uitgeroepen tot een vesting die tot de laatste kogel verdedigd moet worden. Hitler gaf opdracht een nieuw 12e Leger te vormen om contact te maken met Legergroep B. Model was er nog steeds niet zeker van of het Amerikaanse 1e Leger contact zou maken met Pattons Derde Leger en naar het zuidoosten zou aanvallen, weg van het Ruhr dus, of dat zij naar het noordoosten zouden draaien en contact zouden maken met het Amerikaanse 9e Leger, waardoor Legergroep B in de val zou komen te zitten. Eigenlijk wilde Bradley allebei doen. Op 28 maart begon Bradley aan een smalle omsingeling van het Ruhrgebied en gaf hij het Amerikaanse 1e Leger opdracht met het 7e Legerkorps (generaal-majoor J. Lawton Collins) naar het noorden richting Paderborn op te rukken om contact te maken met het Amerikaanse 9e Leger.

Op 29 maart presenteerde Model een aantal opties aan OB West. Op de korte termijn adviseerde hij een tegenaanval in de oostelijke sector nabij Winterberg met als doel de opmars van het Amerikaanse 7e Legerkorps richting Paderborn te stoppen en contact te maken met Wehrkreis IX (Militair District IX) in Kassel en het 11e Leger in het Harzgebergte. In de nacht van 29 op 30 maart reageerde het hoofdkwartier van Kesselrings OB West. De opdracht bleef de verdediging van het Ruhrgebied en de Rijn en op bevel van Hitler kon er van elke terugtrekking van Legergroep B geen sprake zijn. De tegenaanval bij Winterberg werd goedgekeurd, maar in werkelijkheid waren er niet genoeg troepen beschikbaar om meer te doen dan een beperkte plaagstoot.

Veldmaarschalk Walter Model

Op Goede Vrijdag, 30 maart 1945, was de Duitse tegenaanval klaar om te begonnen. Bayerleins 53e Korps werd verlost van haar defensieve taken en de nieuwe SS-Panzer-Ersatz Brigade Westfalen werd gevormd met voertuigen en personeel van de Panzer- en Panzerverkenningsscholen in Sennelager, dat ten noorden van Paderborn ligt. De brigade bestond uit twee geïmproviseerde infanterieregimenten en een enkele tankcompagnie, dat beschikte over 15 verouderde opleidingstanks. Haar voornaamste pantsereenheid was schwere Panzer-Abteilung 507, een ervaren Tigerbataljon dat in Sennelager was om te herstellen van haar zware verliezen aan het Oostfront. Het beschikte over slechts 21 Königstigers en drie Jagdpanthers. Deze haastig opgerichtte brigade stelde zich in de vroege ochtend van Goede Vrijdag ten zuiden van Paderborn op met als doel de Amerikaanse opmars naar de stad af te stoppen.

De aanval van Bayerleins 53e Korps begon in de avond van 30 maart vanuit de omgeving naar Winterberg richting de Edertalsperre. Het bestond uit twee Kampfgruppen met infanterie en genisten, 12 tanks, een aantal stuks gemechaniseerd geschut, maar zonder artillerieondersteuning. In plaats van de achterhoede van de Amerikaanse 3e Pantserdivisie aan te vallen, maakten de Duitse eenheden contact met een geïmproviseerde pantserinfanterie-eenheid van de 104e Divisie. Models wanhopige tegenaanval bleek uiteindelijk niet meer dan een plaagstoot te zijn. Ten zuiden van Paderborn braken op 31 maart gevechten uit tussen de Amerikaanse 3e Pantserdivisie en de SS-Panzer-Brigade Westfalen. Dit was het eerste noemenswaardige verzet dat de Amerikanen in ruim een week tijd waren tegengekomen en de divisiecommandant, generaal-majoor Maurice Rose, kwam later die dag om het leven na een confrontatie met een Königstiger.

Luitenant-generaal Collins van het 7e Korps was ontevreden met het oponthoud bij Paderborn en nam buiten de officiële kanalen rechtstreeks contact op met luitenant-generaal Simpson van het 9e Leger met het voorstel om elk een pantsereenheid naar Lippstadt te sturen om contact te maken en de omsingeling te voltooien. Combat Command B van de 2e Pantserdivisie ontmoette Task Force Kane van de 3e Pantserdivisie rond half vier ’s middags op 1e Paasdag, 1 april 1945. Het Ruhrgebied was omsingeld.

Nadat Operatie Voyage erin geslaagd was het Ruhrgebied te omsingelen, kreeg het nieuwe Amerikaanse 15e Leger (luitenant-generaal Leonard Gerow) opdracht de sector langs de Rijn te bewaken tot het sterk genoeg was om de andere twee legers (1e en 9e) vrij te maken voor hun opmars naar het oosten. Bradley nam aan dat het grootste deel van Legergroep B ontsnapt was en dat er slechts 70.000 soldaten in het gebied waren. Bradley hield hierbij geen rekening met Hitlers verbod op terugtrekkingen en daardoor bevatte het omsingelde gebied maar liefst 370.000 Duitse troepen, hoewel hun gevechtswaarde veel lager lag dan dit aantal doet vermoeden. Veel van deze soldaten hadden geen gevechtservaring of dienden bij de luchtdoelartillerie. Slechts 20 procent van de troepen beschikte over infanteriewapens en nog eens 20 procent had alleen een pistool. Een verzoek om bevoorrading vanuit de lucht werd afgewezen, omdat elke poging daartoe uit de lucht geschoten zou worden door de overweldigende geallieerde luchtmacht. Hoewel Hitler onder de illusie was dat het Ruhrgebied het nog maanden volk kon houden, schatte Models hoofdkwartier in dat er voor slechts drie weken voedsel en voorraden was voor zowel de soldaten als de grote hoeveelheden burgers in het gebied.

Hitler had beloofd de omsingelde troepen te ontzetten door gebruik te maken van het gehavende 11e Leger en het pas opgerichte 12e Leger. Generaal Walter Lucht’s 11e Leger was alleen in naam een leger. Het beschikte over de staf van twee legerkorpsen, maar haar gevechtseenheden bestonden enkel uit de gedecimeerde 166e Infanteriedivisie die recent gearriveerd was vanuit Denemarken, de overblijfselen van de SS-Panzer-Brigade Westfalen, een bataljon gemechaniseerd geschut en een bonte verzameling reservebataljons.

Op 2 april had Model het contact met Legergroep H in het noorden verloren nadat deze formatie door de Britse offensieven teruggedrongen was. De stad Kassel werd door het Amerikaanse 3e Leger omsingeld en viel op 4 april, waarmee elke hoop op een ontzetting vanuit het oosten verdween. Op 5 april liet Model aan Berlijn weten dat Legergroep B nog maar twee weken aan voorraden had en dat de situatie wat betreft brandstof en munitie kritiek was. Nog een verzoek om toestemming voor een terugtocht werd afgewezen.

De verdediging van het Ruhrgebied was vooral verankerd in de dorpen en steden, met het zwaartepunt in de oostelijke kant van het gebied. Na de eerste paar dagen begon het Duitse verzet snel af te nemen en het aantal krijgsgevangenen toe. De gemiddelde Amerikaanse opmars in het gebied bedroeg 6 tot 10 kilometer per dag. Na een week van gevechten begon de verdediging van het Ruhrgebied uit elkaar te vallen. Het Amerikaanse 9e Leger had veel moeite om door de industriële gebieden in het noorden van het gebied op te rukken, maar dat kwam niet zozeer door het Duitse verzet als door de enorme schade die jaren van zware luchtaanvallen van de RAF had veroorzaakt. In het zuiden boekte het Amerikaanse 1e Leger meer vooruitgang. Op 9 april werden meer dan 9.700 gevangenen genomen door het Amerikaanse 1e Leger. Het 16e Korps nam er nog eens 10.000. Op 14 april bereikte de 8e Infanteriedivisie van het 1e Leger de Ruhr rivier bij Hattingen. Aan de andere kant van de rivier bevond zich de 75e Divisie van het 9e Leger. Het samenkomen van deze troepen splitste het Ruhrgebied in twee delen.

De opdeling van het Ruhrgebied overtuigde Model ervan dat verder verzet zinloos was. Von Zangen en de overgebleven stafofficieren van het 15e Leger gaven zich op 13 april over, de Panzer Lehr Divisie op 15 april. Model weigerde Legergroep B over te geven, maar sprak eufemistisch over een ‘opheffing’. Te jonge en te oude soldaten werden op 15 april formeel ontslagen van hun plicht. Op 17 april kregen de overgebleven soldaten toestemming zich over te geven of te proberen in kleine groepjes uit te breken. De omsingeling was rond 18 april grotendeels ineengestort. In totaal gaven zo’n 317.000 Duitse troepen zich over in de Ruhr, meer dan bij Stalingrad of in Tunesië. Model vertelde zijn staf dat een veldmaarschalk zich niet overgeeft en hij merkte op dat hij ervan overtuigd was geraakt dat hij een misdadiger gediend had: “Ik heb mijn soldaten met een schoon geweten geleid, maar in naam van een misdadige overheid.” Op 21 april trok hij zich alleen terug in het bos en schoot zichzelf dood. De vernietiging van Legergroep B betekende het einde van grootschalige Duitse operaties in het westen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s