De Duitse Fallschirmjäger

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd er gebruik gemaakt van een nieuwe manier van oorlogsvoering. Via parachute, zweefvliegtuig en transportvliegtuig konden er voor het eerst grote gevechtseenheden achter de vijandelijke linies worden neergelaten. Zoals bij elke nieuwe vorm van oorlogsvoering werden ook hier tragische mislukkingen afgewisseld met doorslaggevende successen.

Luchtlandingen bieden een aantal voordelen. Ze stellen de aanvaller in staat de frontlinie over te slaan. Op deze wijze kunnen ook grote obstakels zoals rivieren of bergen makkelijk overkomen worden. Doorgaans hebben luchtlandingstroepen de steun van conventionele grondtroepen nodig, maar de inzet van paratroepen kan de benodigde hoeveelheid grondtroepen verkleinen en de verdedigers lang genoeg afleiden om ze kwetsbaar te maken voor een aanval.

Voor de verdediger maakt de dreiging van luchtlandingen de situatie een stuk ingewikkelder. Niet alleen moet de frontlinie bewaakt worden, maar ook talloze strategische doelen achter het front, zoals bruggen of vliegvelden. Hierdoor moeten er soldaten uit de frontlinie worden ingezet voor de bewaking ervan en voor de bemanning van luchtdoelgeschut.

Een Duitse Fallschirmjäger in volle uitrusting.

In Duitsland vielen de luchtlandingseenheden onder de benaming Fallschirm- und Luftlandetruppen; de Fallschirmtruppen vielen onder de Luftwaffe en de Luftlandetruppen onder de Heer. In een Fallschirmjäger-Division werden alleen de drie parachutistenregimenten Fallschirmjäger genoemd, de andere eenheden kregen alleen het voorvoegsel ‘Fallschirm-‘. Alle eenheden waren getraind in het gebruik van parachutes en konden, indien noodzakelijk, ook via zweefvliegtuig landen. Eén eenheid was speciaal voor de inzet met zweefvliegtuigen opgeleid, Luftlandesturm Regiment 1, maar deze kon ook per parachute ingezet worden. De Heer reorganiseerde twee infanteriedivisies tot luchtlandingseenheden, namelijk de 22. en 91. Infanterie (Luftlande) Divisionen. Later in de oorlog kregen talloze grondeenheden van de Luftwaffe vanwege het prestige dat ermee samenhing het voorvoegsel ‘Fallschirm’, maar slechts een enkele eenheid had daadwerkelijk parachutetraining gehad.

De Duitse paratroepen waren afkomstig uit de Landespolizei, een paramilitaire politie-eenheid die in 1933 was opgericht door Hermann Göring, de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken en toekomstig hoofd van de Luftwaffe. Hoewel Duitsland werd gezien als een voorloper in de ontwikkeling van luchtlandingsoperaties, kreeg Göring in het begin te maken met veel weerstand van de conservatieve legerofficieren. Göring richtte in 1935 de eerste parachutisteneenheid op: IV Bataillon / Landespolizei Regiment ‘Hermann Göring’. In juli 1938 werd het bataljon omgedoopt tot I Bataillon / Fallschirmjäger Regiment 1 (I./FJR 1) en in januari 1939 werd er een tweede bataljon vanuit de Heer toegevoegd. FJR 2 werd opgericht in augustus 1939 en FJR 3 in juli 1940.

Tot 1942 werden er verder geen nieuwe regimenten gevormd, hoewel in de Heer tussentijds het Luftlandesturm Regiment 1 in 1940 werd opgericht als luchtlandings- en parachutisteneenheid. De eerste parachutistendivisie werd op 1 juli 1938 binnen de Luftwaffe opgericht met de naam 7. Flieger-Division. Bij het uitbreken van de oorlog beschikte de divisie over slechts twee regimenten met elk twee bataljons en slechts een minimum aan ondersteunende eenheden. Ondertussen had het leger een reguliere infanteriedivisie omgevormd tot een eenheid die via de lucht getransporteerd kon worden en met tegenzin droeg men deze over aan het Luftlandekorps van de Luftwaffe, geleid door Generalmajor Kurt Student, waar ook de speciaal voor luchtlandingsoperaties opgeleide transport- en zweefvliegtuigeenheden onder vielen. Deze 22. (Luftlande) Infanterie-Division werd in 1938 deels getraind voor inzet per zweefvliegtuig en haar Infanterie-Regiment 16 werd per vliegtuig naar het Sudetenland gevlogen voor de bloedeloze overname van dat gebied. Göring wilde de divisie formeel overplaatsen naar de Luftwaffe, maar het leger weigerde hieraan mee te werken.

De Fallschirmjäger en Luftlande-Division werden maar weinig ingezet tijdens de eerste fase van de Tweede Wereldoorlog. Alleen Infanterie-Regiment 16 kwam in Polen in actie, terwijl de Fallschirmjäger als reserve werden achtergehouden en de rest van de Luftlande-Division in de Westwall aan de grens met Frankrijk diende. In Denemarken en Noorwegen werden in april 1940 slechts enkele compagnieën ingezet. Pas tijdens de invasie van de Lage Landen in mei 1940 lieten de Fallschirmjäger zien waar ze toe in staat waren, wat de Britten en Amerikanen ertoe bracht hun eigen ontwikkeling van dit wapen te intensiveren. In juli werd FJR 3 gevormd door de Luftwaffe en toegewezen aan 7. Flieger-Division.

De wijze waarop de Duitsers hun eenheden inzetten tijdens het voorjaar van 1940 geeft duidelijk aan hoe men hun nieuwe wapen wilde gebruiken. In Noorwegen in april 1940 werd er een compagnie ingezet voor het blokkeren van een belangrijke weg. Diezelfde maand landden drie compagnieën in Denemarken om twee vliegvelden en een brug te veroveren. In mei werd er in Noord-Noorwegen gedurende elf dagen stukje bij beetje een compagnie geland voor de versterking van omsingelde bergtroepen. Op 10 mei 1940 werden in België en Nederland meer ambitieuze operaties ondernomen: twee regimenten sprongen in groepen van pelotons- of bataljonsgrootte. Al deze operaties – uitgevoerd in samenwerking met de Luftlande-Division, wiens troepen via transportvliegtuigen of zelfs via watervliegtuigen op een rivier landden – hadden de inname van bruggen en vliegvelden tot doel. Alle waren succesvol en de geallieerden kregen hierdoor een harde les over de meerwaarde van luchtlandingstroepen. Met name de inname van het Belgische fort Eben Emael maakte indruk op de geallieerde strategen.

Duitse Fallschirmjäger tijdens de invasie van Kreta.

Een jaar later ondernamen de Duitsers een nóg ambitieuzere operatie. De invasie van Kreta in mei 1941 omvatte de inzet van een divisie van vier regimenten. Deze regimenten werden echter zeer verspreid ingezet in een poging om een veelvoud aan doelwitten tegelijkertijd in te kunnen nemen. Dit was in Nederland en België een succes geweest, omdat het verzet daar licht was. Maar op Kreta was dat anders. Hoewel de Britse troepen niet bijzonder sterk waren, verloren de Duitsers zo’n 6.000 man. Eén op de vijf Fallschirmtruppen (3.764) werd gedood en 350 vliegtuigen gingen verloren.

Vanwege de angst voor een herhaling van dit soort aantallen werd een luchtinvasie van Malta afgeblazen. Na Kreta voerden de Duitsers nog zes luchtlandingersoperaties uit, maar slechts in één geval was de ingezette eenheid groter dan een bataljon. De uitzondering was Sicilië in 1943 toen FJR 3 en 4 werd neergelaten ter versterking van het garnizoen. De andere operaties waren commandoaanvallen: een aanval op een Italiaans hoofdkwartier, de inname van twee kleine eilanden, een aanval op het Joegoslavische partizanenhoofdkwartier en een afleidingsmanoeuvre tijdens het Ardennenoffensief.

Ondanks Hitlers verbod op verdere grootschalige luchtlandingsoperaties, werd 7. Flieger-Division in mei 1943 omgevormd tot 1. Fallschirmjäger-Division en werd 2. Fallschirmjäger-Division in februari opgericht. In oktober en november 1943 kwamen daar 3. en 4. Fallschirmjäger-Divisionen bij, gevolgd door 5., 6. en 7. in respectievelijk maart, juni en oktober 1944. 7. Fallschirmjäger-Division ontstond vanuit Fallschirmjäger-Division Erdmann, een uit opleidingseenheden bestaande formatie. De oorspronkelijke 2. Fallschirmjäger-Division werd in september 1944 in Frankrijk vernietigd en in december werd er een nieuwe 2. Fallschirmjäger-Division gevormd.

Fallschirmjäger overleggen tijdens de gevechten in Normandië.

Ook werd in 1944 1. Fallschirm-Armee opgericht, dat bestond uit I. en II. Fallschirm-Korps. Dit leger en haar ondergeschikte korpsen waren bij lange na geen parachutisteneenheden, net als het zogenoemde Fallschirm-Panzerkorps ‘Hermann Göring’. Het voorvoegsel ‘Fallschirm’ was puur toegevoegd om het moreel van de troepen op te vijzelen. Tegen die tijd was er in de parachutistendivisies een groot tekort aan getrainde paratroepen. Van de 160.000 soldaten in 1. Fallschirm-Armee waren er slechts 30.000 daadwerkelijk Fallschirmjäger. De nieuwe divisies werden doorgaans gevormd door de overplaatsing van een regiment of bataljon vanuit een al bestaande divisie, aangevuld door nieuwe rekruten en reguliere infanterie.

De 11., 20. en 21. Fallschirmjäger-Divisionen werden in maart en april 1945 opgericht, maar waren verre van compleet toen de oorlog eindigde in mei 1945.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s