De Bevrijding van Limburg

Toen Operatie Constellation op 16 oktober 1944 werd afgeblazen, lag de Amerikaanse 7e Pantserdivisie in stelling ten zuiden van de twee Britse divisies die aan de operatie hadden deelgenomen. De frontlijn liep van Griendtsveen langs het Kanaal van Deurne, via Meijel en de kanalenviersprong bij Nederweert langs het Kanaal Wessem-Nederweert naar de Maas bij Wessem. Al met al een frontlijn van zo’n 35 kilometer, met Combat Command B in het bruggenhoofd op de oostelijke oever van het Peelkanaal bij Griendtsveen, Combat Command A langs het Kanaal Wessem-Nederweert en het 87e Verkenningsbataljon daar tussenin.

Dit is een zeer moerassig deel van de Peel, waarvan het landschap wordt gedomineerd door kleine zijkanalen, veenafgravingen, meertjes, poelen en pollen. Het landschap was zo drassig dat tanks en zware voertuigen enkel ingezet konden worden op de spaarzame, bruikbare wegen in deze streek. Dit was voor de Amerikanen een nadeel, maar net zo goed voor de Duitsers. Hier in het moeras vonden de Amerikanen voorlopig de nodige rust. Er werd gepatrouilleerd en er werden af en toe wat artilleriegranaten uitgewisseld met de Duitsers.

Maar deze rust was bedrieglijk. Aan Duitse zijde waren de voorbereidingen voor een verrassingsaanval in volle gang. Het doel van deze aanval was het weglokken van geallieerde divisies, die in West-Brabant en Zeeland bezig waren de Scheldemonding in te nemen. De aanval was dus vooral bedoeld om vijandelijke troepen te binden en kende met het 18 kilometer ten zuidwesten van Griendtsveen gelegen Asten een zeer beperkt doel. Voor deze aanval werd het 47e Panzerkorps onder generaal Heinrich Freiherr von Lüttwitz beschikbaar gesteld, dat bestond uit de 9e Panzerdivisie en 15e Panzergrenadierdivisie. De Panzerdivisie zou volgens het plan een bres slaan in de Amerikaanse linies, en daarna zouden de panzergrenadiers dit exploiteren. De aanval stond voor de 27e gepland.

Amerikaanse infanteristen in een loopgraaf bij Griendtsveen.

Het kanonvuur dat ’s ochtends op 6 uur losbarstte was voor de Amerikanen een enorme verrassing. Een uur lang gierden de granaten over de kanalen, alvorens tussen de Amerikaanse posities neer te komen. Daarna volgde de Duitse infanterie. Onder dekking van de mist en van het kanonvuur waren zij op meerdere plaatsen over het Kanaal van Deurne gekomen en doemden ze nu voor de Amerikaanse linies op. Het eerste doelwit van de Duitse aanvallen was Meijel. Zonder op verliezen te letten stormden ze op de Amerikaanse linies af. De eerste en tweede aanvalsgolf werd door het Amerikaanse afweervuur vernietigd, maar de derde slaagde erin door de linies heen te breken en de huizen van Meijel te bereiken. De Amerikanen trokken zich terug om zich ten westen van Meijel te reorganiseren. Om half 9 was de plaats weer in Duitse handen. Anderhalf uur na de val van het dorp voerden de Amerikanen een tegenaanval uit met lichte tanks van het verkenningsbataljon. Acht Amerikaanse tanks werden echter kapot geschoten en de infanteristen trokken zich in wanorde terug.

Elders in deze sector waren de Duitsers ook ten aanval getrokken. In het zuiden bij het plaatsje Thorn deden ze een uitval, die door de Belgische brigade vakkundig werd afgeslagen. Vermoedelijk ging het hier om een afleidingsmanoeuvre die bedoeld was om Combat Command A aan zich te binden. De Duitsers slaagden in hun opzet. Combat Command A bleef tijdens de gehele Duitse tegenaanval op haar plek vastgenageld.

Een derde aanval vond plaats ten oosten van Nederweert en de daar gelegen kanalenviersprong. Ook hier moesten de Amerikanen zich terugtrekken. De Duitse voorsprong in deze sector zou echter pas gevaarlijk worden als de Duitsers erin zouden slagen Asten te veroveren. Zolang dat niet het geval was, waren de Duitse troepen in deze streek van hun kameraden gescheiden door de uitgestrekte moerassen ten noordoosten van Ospel.

De laatste aanval vond ten noorden van Meijel plaats, bij Neerkant. Ook hier waren de Duitsers in de meerderheid en slaagden ze erin de Amerikanen te verdrijven. Hierdoor was het mogelijk om al rond 11 uur bruggen over het Kanaal van Deurne te leggen, zodat de Duitse tanks en mobiel geschut aan de strijd deel konden gaan nemen.

Hoewel de Duitsers enige successen hadden geboekt, hadden ze tegelijkertijd ook steken laten vallen. Het felle Amerikaanse verzet had tot hoge verliezen geleden, verliezen die zij niet of slechts mondjesmaat konden aanvullen. Ook was er door een misverstand van met een verzwakte voorhoede ten strijde getrokken. Eén van de twee panzerregimenten van de 9e Panzerdivisie was niet op komen dagen en kon pas een dag later ingezet worden. Hierdoor ontbrak het de Duitsers die eerste cruciale dag aan genoeg stootkracht om optimaal van de doorbraak te kunnen profiteren.

Tegen de middag merkten de Duitsers dat het Amerikaanse verzet sterker werd. De mist was opgetrokken en de geallieerde luchtmacht mengde zich in de strijd. Combat Command R had zich opgesteld bij Asten en om 2 uur ’s middags trokken ze langs de weg van Asten naar Meijel ten aanval. De opmars verliep voorspoedig, tot men op een kilometer van Meijel vastliepen in hevig mitrailleur- en geweervuur.

Een uitgeschakelde Britse Churchill-tank in de omgeving van Meijel

Ondertussen was bij de divisiestaf van de 7e Pantserdivisie het besef doorgedrongen dat men hier te maken had met een flinke tegenaanval. Generaal-majoor Lindsay Silvester vroeg hulp aan zijn meerdere, de bevelhebber van het Britse 8e Legerkorps, luitenant-generaal Richard O’Connor. Die beloofde twee dingen te doen: hij zou zoveel mogelijk artillerie sturen en hij was bereid het bruggenhoofd bij Griendtsveen over te nemen. Hierdoor zou Combat Command B de handen vrij hebben om het Kanaal van Deurne over te steken en de Duitsers vanuit het noorden in de flank aan te vallen. In de avond van 27 oktober werd Combat Command B dan ook met grote spoed naar Liessel overgebracht.

Om zeven uur in de ochtend van 28 oktober vertrok Combat Command B uit Liessel langs de weg naar Meijel. Deze aanval liep echter op niets uit. De Amerikanen moesten zware verliezen incasseren. Van de 17 tanks waarmee ze de aanval begonnen, gingen er 13 verloren. Om 2 uur ’s middags besloot men tot een kleine terugtrekkende beweging en tegen de avond groeven ze zich in op enkele kilometers van Liessel. De volgende ochtend vielen de Duitsers hun posities aan. Hoewel de Amerikanen wanhopig  vochten, slaagden de Duitsers erin om tegen half 9 Liessel binnen te dringen. Maar verder kwamen de Duitsers niet. De Amerikanen behielden enige posities aan de weg naar Meijel die alleen in zware gevechten behouden konden worden. Aan het begin van de middag lanceerde Combat Command B zelfs weer een aanval op Liessel, die enige succes had. Een Amerikaanse compagnie drong tot in de plaats toe. Maar het gebrek aan ondersteuning bracht de Amerikanen ertoe de troepen weer terug te trekken. Liessel bleef Duits.

De Amerikaanse 7e Pantserdivisie was echter niet de enige geallieerde divisie in de omgeving, die vooral de verantwoordelijkheid was van de Britten. Wat hadden die ondertussen gedaan? Op 28 oktober was Tilburg bevrijd door de 15e Schotse Divisie. De Schotten werden echter snel uit het bevrijdingsfeest weggehaald en samen met de 6e Guards Tank Brigade kreeg men opdracht naar Meijel op te rukken. In Deurne vond ondertussen spoedoverleg plaats tussen generaal-majoor Silvester, luitenant-generaal O’Connor en generaal-majoor Colin Barber, de commandant van de 15e Divisie. Besloten werd dat de Schotten de uitgeputte Amerikanen zouden aflossen en dat laatstgenoemde overgeplaatst zou worden naar de veel kleinere frontsector ten oosten van Nederweert. De Amerikanen dienden stand te houden totdat de Schotten arriveerden.

Na aankomst namen de Schotten posities in ten zuidoosten van Asten, tussen Asten en Liessel in en wat het belangrijkste was, in de Dennendijkse bossen tussen Asten en Liessel. Daarna stond het de Amerikanen vrij om in de nacht van 29 op 30 oktober zich terug te trekken. Drie dagen lang had de Amerikaanse divisie het Duitse offensief moeten opvangen. In deze strijd hadden ze tussen de 50 en 85 tanks moeten verliezen. De Duitsers hadden 30 tanks verloren. Dat waren er veel minder, maar de Duitsers wisten maar al te goed dat de geringere verliezen in absolute aantallen een relatief groter gat in de schaarse Duitse reserves betekenden.

Aan Duitse zijde was men niet ontevreden over het verloop van de strijd. Veldmaarschalk Model vond zelfs dat er meer in zat dan het bescheiden doel dat men zich had gesteld. Op 28 oktober had hij aan veldmaarschalk Gerd von Rundstedt, de Duitse opperbevelhebber in West-Europa, nog gevraagd het 47e Korps te versterken met nog een pantserdivisie en een heel artilleriekorps. Rundstedt was echter een voorzichtig man en een dag later liet hij Model weten dat het offensief onmiddellijk gestaakt moest worden. Verdere voortzetting beloofde geen resultaat in verhouding tot de inzet. Het enige dat Model nog mocht bereiken, was dat hij nog even met aanvallende manoeuvres mocht doorgaan om een betere frontlijn te krijgen. Deze manoeuvres focusten zich vooral op de Dennendijkse bossen.

Eerst drongen de Duitsers het dikke naaldhout van de bossen binnen en wisten ze de voorste Schotse pelotons te overrompelen. Urenlang werd er verbitterd gevochten, voornamelijk tussen de achter bomen en struiken verscholen infanteristen, tussen enkele Duitse tanks, die over de zandwegen rolden, en enkele Britse anti-tankkanonnen. De situatie bezon zich steeds gunstiger voor de Duitsers af te tekenen, totdat in de vroege middag een tankeskadron van de Grenadier Guards de Schotten te hulp kwam. Dat was het keerpunt. Langzaam maar onafwendbaar werden de Duitsers het bos uitgedreven. Het duurde echter nog tot de volgende dag tot ook de laatste Duitsers uit het bos waren verdreven.

Nu was het de beurt aan de Schotten om ten aanval te trekken. Van het noorden en westen uit vielen de Schotten Liessel aan, dat op 31 oktober na heftige gevechten in hun handen viel. Veel verder kwamen de Schotten niet, vooral ook door de voortdurende beschieting van de opmarsweg naar Meijel door het Duitse geschut achter het Kanaal van Deurne. Desondanks vonden de Duitsers dat het doel bereikt was: ze hadden toch maar mooi een hele divisie en een tankbrigade uit West-Brabant weggelokt. Het 47e Korps kreeg opdracht zich terug te trekken, met behoud van een bruggenhoofd om Meijel heen. Het Duitse legerkorps trok zich geruisloos achter de gordel van kanalen terug. Vanaf daar trok men verder naar het achterland in Duitsland, om daar weer op sterkte te worden gebracht. Aan de kanalen in de Peel stonden nu weer zij die al maanden dit gebied verdedigden: de Duitse Fallschirmjäger.

Aan geallieerde zijde vond er ook een reorganisatie plaats. De operaties rondom de Schelde waren in november afgerond en dus kon het Britse 12e Korps naar de Peel worden overgebracht om daar hun collega’s van het 8e Korps te ondersteunen. De Amerikaanse 7e Pantserdivisie keerde weer terug onder de vleugels van het Amerikaanse 12e Legergroep. Deze bewegingen leverden twee weken van relatieve rust op aan het front, met uitzondering van het bruggenhoofd bij Meijel.

Op 2 november begon de 15e Schotse Divisie aan haar aanval op Meijel. Zij werd ondersteund door tanks van de Guards Tankbrigade. Een frontale aanval bleef echter steken in een scherm van Duits artillerie- en mortiervuur. Meijel zou moeten worden omsingeld, maar daar waren meer tanks voor nodig. Deze tanks kwamen echter niet om Meijel heen: vanuit hun stellingen in het Vieruiterstenbos schoten de Duitsers op alles wat bewoog. Er werd een nieuw plan bedacht. Tanks van de Grenadier Guards zouden parallel aan het Kanaal van Deurne om deze stelling heen rijden. Ze zouden daarbij gedekt worden door een rookgordijn die geplaatst zou worden door de artillerie. Deze operatie ging op 5 november van start. Het was half 8 toen de 19 Churchill tanks aan hun riskante tocht begonnen. Beschermd door het rookgordijn wisten ze het punt te bereiken waarop ze om het Vieruisterstenbos heen zouden draaien. Maar daar sloeg het noodlot toe. Tank na tank liep vast in de niets ontziende modder. Het machteloos gebrul van de motoren alarmeerde de Duitsers en zij openden het vuur op de hulpeloze tanks. De eskadronscommandant had geen andere optie dan het signaal tot de aftocht te geven. Uiteindelijk konden maar vier tanks veilig terugkeren. De rest van het eskadron lag hulpeloos tussen twee vuren: van de overkant van het Kanaal van Deurne en vanuit het Vieruiterstenbos. Drie tanks wisten ze hier in te handhaven en gaven dekking aan de elf overige bemanningen om zich terug te trekken.

Aan het begin van de middag kwam men tot de conclusie dat de aanval op Meijel mislukt was. Het verkenningspeloton van de Grenadier Guards werd er met haar lichte Stuart tanks op uit gestuurd om de bemanningen uit hun benaderde posities te bevrijden. Zij slaagden er in bijna alle overlevenden te redden. Ook na 5 november bleef Meijel in Duitse handen. De Britten wilden wachten tot de komst van het 12e Korps om dan vervolgens het dorp in een groter offensief alsnog in handen te krijgen.

De aanval op het Duitse bruggenhoofd zou op 14 november weer hervat worden met de troepen van het 12e Korps. Het was aan de 51e Divisie om met Buffalo gepantserde amfibievoertuigen het Kanaal van Wessem naar Nederweert over te steken. Daarbij zouden ze ondersteund worden door 450 stuks geschut. Wat volgde was echter een anticlimax. De tegenstand was nog maar nominaal. Aan het kanalenfront lag nog maar één Duitse divisie in stelling, dat bestond uit vier bataljons Fallschirmjäger. Geconfronteerd met de geallieerde overmacht, hadden de Duitsers geen andere keuze dan zich terug te trekken. Op 21 november wist de 51e Divisie Baarlo te bevrijden. Daarna werd zij afgelost door de 15e Schotse Divisie, dat ondertussen zonder slag of stoot Meijel had weten te bezetten. Op 19 november was de divisie het Kanaal van Deuren overgestoken. De meeste vertraging leverde nog de modder op, die de weinig wegen hadden getransformeerd in één grote modderpoel. Desondanks konden op 22 november de plaatsen Sevenum en Horst worden bevrijd. Voor hen bleven de Duitsers zich terugtrekken, al voerden ze hier en daar kortstondig een vertragend gevecht.

In de omgeving van Horst maakten de Schotten op 23 november contact met de 11e Pantserdivisie. Deze was een dag eerder vanuit Griendtsveen richting America getrokken. Daarna waaierden de Schotten uit naar de Maas. Zij bereikte in twee dagen de rivier over een breed front van Blitterswijck tot Houthuizen. Hoewel de meeste Duitsers de Maas overgestoken waren, hielden ze nog drie steunpunten aan op de westoever. Dit waren kasteel Geysteren, het dorp Broekhuizen en Blerick, dat was veranderd in een ware vesting. Op 28 november begonnen de Schotten met de verovering van het dorp Broekhuizen en het nabijgelegen kasteel. Door de successen van de afgelopen dagen, onderschatten de Schotten de overgebleven Duitsers en zij vonden het afdoende om slechts één peloton naar het kasteel van Broekhuizen te sturen. Toen deze eenheid binnen schootsafstand van het slot waren gekomen, kwamen ze onder zwaar vuur te liggen. Zonder iets bereikt te hebben, trokken de Schotten zich terug en diezelfde dag nog werden ze afgelost door soldaten van de 11e Pantserdivisie.

Nu bleek dat het kasteel een moeilijk te overwinnen weerstandsnest was, pakte men de zaken grondiger aan. Op 30 november zou het kasteel eerst een uur beschoten worden, alvorens bestormd te worden door twee pelotons infanteristen en een groep tanks. Nadat zij het kasteel hadden ingenomen, zou een andere compagnie Broekhuizen zelf innemen. De realiteit bleek echter weerbarstiger te zijn. Tijdens de beschieting hadden de Duitsers in het kasteel zich teruggetrokken naar de kelder en, nadat het vuur is gestaakt, rustig hun posities weer in te nemen. Tot verbazing van de Duitsers komen de Britse infanteristen rustig aan gewandeld. De Duitsers laten hen tot binnen schootsafstand naderen en openen dan het vuur met hun mitrailleurs. Binnen luttele minuten is de Britse compagnie gedecimeerd. Ondertussen laat ook de Britse artillerie aan de overkant van de Maas van zich horen. De aanval is volledig vastgelopen.

Desondanks wordt, zonder dat het kasteel is ingenomen, de aanval op het dorp Broekhuizen ingezet. Ook deze aanval loopt vast op het mitrailleurvuur dat vanuit de dorpsrand op hen wordt afgevuurd. Bij het kasteel krijgen de infanteristen opdracht zich bij de startlijn te hergroeperen. Dit keer wordt de aanval krachtiger ingezet, met betere ondersteuning van tanks. De granaten van de tanks dwingen de Duitsers terug te keren naar de kelder. Daar komen ze tot de onvermijdelijke conclusie dat een overgave de enige optie is. Eén voor één komen de vaak zeer jonge Duitse Fallschirmjäger uit de kelder tevoorschijn, handen hoog en achter een witte vlag aan. Daarna kan het dorp Broekhuizen ook snel worden ingenomen.

Schotse soldaten in de ruïnes van het Kasteel Geysteren

Het kasteel van Broekhuizen is niet het enige kasteel dat de Britten hoofdbrekens bezorgt. Ook de 3e Britse Divisie komt er eentje tegen tijdens haar opmars naar de Maas. Op 24 november kwam de voorhoede van deze divisie de inwoners van het kasteel tegen, die door de Duitsers uit hun woning waren gezet. In de middag van 25 november openden twee compagnieën van de 3e Divisie de aanval het slot. Ook hier lieten de Duitse Fallschirmjäger de Britten tot binnen schootsafstand komen alvorens met mitrailleurs het vuur te openen.

Op 27 november werd er een nieuwe aanval ondernomen, dit keer met ondersteuning van de Churchill tanks van de Coldstream Guards. Zij openden een genadeloos vuur op het kasteel en werden bijgestaan door een aanval door Typhoon jachtbommenwerpers. Het kasteel Geysteren was in een ruïne aan het veranderen. Desondanks liep die avond een aanval door infanteristen nog steeds vast in het mitrailleurvuur van de Duitsers. Op 29 november ging de aanval weer verder. Weer beschietingen door tanks en weer aanvallen door Typhoons. Hierna stormden de infanteristen tegen de noordoostelijke wal van het kasteel op. Maar wat bleek? De Duitsers hadden zich de nacht ervoor op de andere over van de Maast teruggetrokken.

Nu resteerde er nog één Duitse vesting: Blerick. De Duitsers hadden maandenlang aan deze vesting gewerkt en het resultaat mocht er zijn. Rondom Blerick was een diepe tankgracht aangelegd, aan de buitenkant beveiligd door dubbele, soms zelfs driedubbele, prikkeldraadversperringen, een aantal mijnenvelden en een loopgravenstelsel met versterkte steunpunten. Het garnizoen bestond uit slechts 300 man, maar deze waren dan ook formidabel verschanst.

Eind november had de 15e Schotse Divisie hier de stellingen overgenomen van de 49e Infanteriedivisie. Het was haar 44e Brigade die de opdracht kreeg om deze laatste Duitse positie op de westoever van de Maas te veroveren. Brigadegeneraal Henry Cumming-Bruce, de commandant van de brigade, bedacht een ingenieus plan om deze weinig benijdenswaardige taak uit te voeren. Hij besloot de Duitsers in de waan te brengen dat zijn aanval vanuit het noordwesten zou plaatsvinden, wat de meest voor de hand liggende plaats was. Maar in werkelijkheid zou hij vanuit het westen aanvallen. Bovendien wilde hij het Duitse geschut uit de tent lokken en onschadelijk maken.

In de nacht van 1 op 2 oktober klonk uit het bosgebied luid geraas van manoeuvrerende tanks. Prompt opende het Duitse geschut het vuur. Na een tijdje was het weer stil. De Duitsers wisten niet dat zij geen tanks hadden vernietigd, maar grammofoonplaten. Deze geluidsopnamen waren bedoeld om de vijand te doen geloven dat er een hele concentratie aan de gang was. Dit herhaalde zich een nacht later. Weer geluiden, weer artilleriebeschietingen. Door deze beschietingen konden de Duitse artilleriestukken nauwkeurig in kaart worden gebracht en uitgeschakeld worden. Bovendien waren de Duitse ogen op het noordwesten gericht.

Britse vlegeltanks op weg naar hun startposities voor de inname van Blerick.

Ondertussen hadden de Britten zich verzameld achter de Blerickse bergen. Brigadegeneraal Cumming-Bruce had daar een imposante troepenmacht samengebracht. Zijn aanval zou ondersteund worden door 400 stuks geschut, een eskadron Churchill-tanks, twee eskadrons Sherman vlegeltanks, bruggen leggende en takkenbos dragende genietanks, Crocodile vlammenwerpertanks en Kangaroo pantservoertuigen voor het vervoer van infanterie.

In de vroege ochtend van 3 december opende de Britse artillerie het vuur. Zij kende haar doelen en slaagde erin de Duitse vuurmonden buiten gevecht te stellen. Daarna verschoof men het vuur naar de fortificaties rondom Blerick zelf. Een kruipend vuur ging elke twee minuten honderd meter vooruit. Achter dit vuur zetten de tanks zich in beweging, waarbij er helaas genoeg achtergelaten moesten worden in de zuigende modder. Desondanks hadden om 10.15 uur de meeste tanks de tankgracht overgestoken en bleven ze de Duitse stellingen onder vuur nemen, in afwachting van de infanterie. Rond 11 uur rolden de eerste Kangaroos met infanteristen aan boord door de bressen in de Duitse linies. Veilig en wel wisten deze de buitenrand van Blerick te bereiken. Om 1 uur waren de Schotten tot in het hart van Blerick doorgedrongen. Voor de troepen die de plaats moesten zuiveren, was Blerick een doolhof van kronkelstraatjes, maar toen de eerste barrières waren genomen, bleek verdere weerstand gering. Wel waren de Duitse artillerie en mortieren aan de oostoever zich nu bewust wat er gaan de was en begonnen ze de plaats te beschieten. Hierdoor leden de Schotten toch nog verliezen. Niettemin was tegen vier uur geen sprake meer van georganiseerde verdediging. 250 Duitsers waren gevangengenomen, de rest was naar de andere oever van de Maas gevlucht.

De Schotten stonden nu aan de Maasoever en konden in Venlo kijken. Het Duitse bruggenhoofd ten westen van de Maas was eindelijk vernietigd. Maar voor het op de oostoever van de Maas gelegen Noord- en Midden-Limburg liet de bevrijding nog op zich wachten.

Dat het front zo lang stil lag, kwam mede door het Duitse Ardennenoffensief van 16 december. Alle andere operaties werden stilgelegd om aan deze verrassingsaanval het hoofd te kunnen bieden. In de sector langs de Maas bleef het rustig, op één sector na. De Duitsers slaagden erin bij Wanssum op nieuwjaarsdag een bruggenhoofd op de westelijke oever te vestigen. Op 8 januari werd het bruggenhoofd eenvoudig weer opgerold door twee compagnieën Britse infanteristen.

Intussen was op 15 januari het front ten zuiden van Roermond in beweging gekomen. In twee weken tijd verdreven troepen van het Britse 12e Korps de Duitsers uit het gebied tussen Sittard en Roermond. De meeste weerstand werd ondervonden in de Nederlandse grensdorpen. Om St. Joost moest twee dagen worden gevochten. Montort werd door een drie dagen durende artillerie- en luchtbombardement volledig verpulverd. Het eveneens zwaar beschadigde St. Odiliënberg werd op 28 januari bevrijd, net als Linne. Iets ten noorden konden de Fallschirmjäger zich handhaven in een smalle strook ten zuiden van Roermond. Deze sector werd kort daarna overgenomen door het Amerikaanse 9e Leger.

In Roermond begonnen eind februari granaten te vallen, ditmaal van Amerikaanse artillerie. Het 16e Korps kreeg opdracht om bij Roermond de Roer over te steken en daarna parallel aan de Maas naar het noorden op te rukken. Op 26 februari drongen Amerikanen het Duitse bruggenhoofdje ten zuidwesten van de monding van de Roer binnen. In de vroege morgen van 1 maart bereikten de eerste voertuigen van de Amerikanen de eeuwenoude boogbrug over de Roer die naar de zuidelijke stadskern van Roermond voert. Deze brug is echter door terugtrekkende Duitsers opgeblazen. Toch weten de Amerikaanse infanteristen over te steken en trekken ze een doodstil Roermond binnen. Enigszins verbaasd en op hun hoede bereiken ze per voet het stadscentrum.

Duitse krijgsgevangenen worden na de bevrijving van Venlo afgevoerd.

Intussen was de 8e Pantserdivisie en 35e Infanteriedivisie noordwaarts getrokken, richting Venlo. In de voormiddag van 1 maart bereikten ze de grens bij Kaldenkirchen. Rond vier uur ’s middags bereiken ze onder luid gejuich de buitenwijken van Venlo. Zonder slag of stoot geeft het garnizoen van 200 man zich over aan de Amerikanen. Een dag later trekken de Amerikanen verder, richting Straelen. Ook hier was de bevrijding een feit. Op diezelfde 2e maart reed een colonne pantserwagens Tegelen binnen. Als allerlaatste plaats in Limburg werd Well op 3 maart door de Schotten bevrijd. Diezelfde dag maakten de Amerikanen contact met troepen van het Canadese 1e Leger. Daarmee was aan de slag van Peel en Maas een einde gekomen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s