Tauchpanzers und Schwimmpanzers

In de zomer van 1940 waren de Kriegsmarine en de Duitse Landmacht druk bezig om Operatie Seelöwe, de invasie van Engeland, voor te bereiden. Dit zou de eerste grootschalige amfibische landing worden die het Duitse leger ooit had ondernomen. Er moest dus nog veel onderzocht en geïmproviseerd worden om een landing mogelijk te maken. Omdat de Duitse tactiek zeer afhankelijk was van een beslissende inzet van tanks, vond men het zeer belangrijk dat de eerste golf soldaten vergezeld zouden worden van tanks. Speciale landingsboten om deze tanks aan land te zetten, waren echter niet voor handen. Daarom begon men te zoeken naar alternatieven.

Men kwam daarbij op het idee om tanks zodanig om te bouwen dat ze voor de kust in zee konden worden gedropt en dat ze zelfstandig over de bodem naar de kust konden rijden. Eind juni begon de Landmacht en de Kriegsmarine met het onderzoeken van de haalbaarheid van de ontwikkeling van zgn. ‘duiktanks’ (in het Duits: Tauchpanzer), die de eerste landingsgolf moesten ondersteunen. De Tauchpanzers werden gemaakt door bij normale tanks alle openingen af te sluiten zodat ze waterdicht waren en ze uit te rusten met een 18 meter lange snorkel voor het afvoeren van uitlaatgassen. De eerste experimenten toonden aan dat dit idee haalbaar was, dus gaf de legerleiding opdracht tot de oprichting van vier ‘Tauchpanzer-Abteilungen’.

Een Tauchpanzer wordt tijdens een oefening te water gelaten.

Op 13 juli werd er een experimentele tankcompagnie gevormd om het concept van de tauchpanzer verder uit te werken. Ondertussen moesten de 2e, 3e en 5e Panzerdivisies elk een compagnie afstaan als kader voor de nieuwe ‘Tauchpanzer-Abteilungen’, die aangemerkt werden met de letters A, B, C en D. Tussen 24 en 27 juli waren alle vier de eenheden compleet en konden ze beginnen aan hun opleiding. Elk bataljon beschikte over 63 tanks (12 x PzKpfw II, 37 x PzKpfw III Ausf. F/G/H, 12 x PzKpfw IV Ausf. D en 2 x Pz Bef III). Enkele tanks waren de nieuwste PzKpfw III Ausf. H, die waren uitgerust met het 50 mm KwK 38 L/42 kanon, dat een flinke verbetering in de vuurkacht betekende in vergelijking met de oudere PzKpfw III modellen, die uitgerust waren met een 37 mm kanon. Al met al werden meer dan 250 tanks gereedgemaakt voor inzet tijdens de eerste landingen van Operatie Seelöwe. De generaal die verantwoordelijk was voor de eerste landingen, Generaal Georg-Hans Reinhardt, was echter niet enthousiast over de Tauchpanzer en schreef op 14 juli een rapport waarin hij kritiek had op de inzetbaarheid tijdens gevechtssituaties.

De Tauchpanzers moesten hun eigen unieke transportschepen hebben, de Type B, die uitgerust waren met kiepende platformen, die de tanks in staat moest stellen om langs de boeg het water in te glijden. Dit moest zo’n 200 meter van de kust gebeuren in water dat niet dieper was dan 15 meter. Daarna zouden de Tauchpanzers met een snelheid van 5,5 km/u over de zeebodem rijden en bij het strand het land op gaan. Het was een zeer innovatief idee, maar ook zeer gevaarlijk tijdens een gevechtssituatie. Als de bemanningen van de transportschepen (die geen gevechtservaring hadden) in paniek raakten, zouden ze kunnen beslissen de tanks in te diep water uit te laden. De snorkel zou dan het oppervlakte niet bereiken en de bemanning zou bezwijken aan koolmonoxidevergiftiging door de uitlaatgassen van de motor. Dit gebeurde al eens tijdens een oefening. Als er tijdens de landingen een ruwe zee zou zijn, dan zouden de tanks om kunnen slaan tijdens het uitladen en ondersteboven in zee belanden. Zelfs als de tank op de juiste manier op de zeebodem zou belanden, dan nog zou het compleet blind zijn en enkel kunnen navigeren via haar interne kompas. Als er een obstakel op de zeebodem zou liggen, dan zou de tank makkelijk vast kunnen komen te zitten. De Tauchpanzer kon maximaal 60 minuten onder water zijn, maar de koolmonoxide zou al na 20 minuten voor problemen kunnen zorgen. De bemanningen van de Tauchpanzers waren dan wel getraind in ontsnappen onder water, maar niet tijdens een gevechtssituatie. Kortom, het was erg risicovol om de Tauchpanzer voor het eerst te proberen op een vijandige kust vol obstakels. De verliezen zouden dan ook hoog zijn geweest.

Een Panzer 38(t) als Schwimmpanzer.

Een ander alternatief was de Schwimmpanzer. Dit waren omgebouwde PzKpfw II lichte tanks. Deze veel lichtere tanks waren uitgerust met drijvers aan weerszijden en een propeller die aangesloten was om de motor. De Schwimmpanzers zouden ook vervoerd worden door Type B transportschepen en zelf met een snelheid van 5,5 km/u naar de kust varen. Hoewel dit minder risicovol was dan de Tauchpanzer, zouden de drijvers op de Schwimmpanzer zeer kwetsbaar zijn voor machinegeweervuur of granaatscherven. Als ze hun drijfkracht aan één kant verloren, dan zouden ze als bakstenen zinken. Maar als ze wel aan land zouden komen, dan zouden de Schwimmpanzers de vijandelijke posities kunnen beschieten met hun 20 mm geschut.

De problemen waar het Duitse leger mee worstelde tijdens de voorbereiding op de nooit uitgevoerde invasie van Engeland was een voorbeschouwing van exact dezelfde problemen die de geallieerden tegenkwamen tijdens de voorbereiding op de invasie van Normandië, die gelukkig wél uitgevoerd werd. Een zogenaamde ‘duiktank’ werd niet overwogen, maar met de Sherman A4-D4 DD-tank werd er wel een werkend exemplaar van een zwemtank in gebruik genomen, die tijdens de cruciale eerste uren van de invasie voor ondersteunende vuurkracht zorgden.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s