De Koninklijke Marine tijdens de Tweede Wereldoorlog

Voor informatie over de typen schepen die de Koninklijke Marine tot haar beschikking had, kijk dan op deze pagina.

Hoewel Nederland in de 17e en 18e eeuw een grote zeemacht was, was daar na afloop van de Napoleontische Oorlogen weinig meer van over. Vrede in Europa tijdens het grootste deel van de 19e eeuw betekende dat er geen noodzaak was voor een grote vloot ter verdediging van de eigen territoriale wateren. En goede banden met Groot-Brittannië zorgden ervoor dat het met de verdediging van Nederlands-Indië ook wel goed zat. Dit veranderde aan het begin van de twintigste eeuw, toen de winning van olie en rubber in Indië helemaal op gang kwam. De toegenomen economische waarde van de Indische kolonie noopte de Nederlandse regering meer geld te investeren in diens veiligheid.

Ondanks dat er meer geld beschikbaar was voor de vloot, wilde men voor een dubbeltje op de eerste rij zitten. Daartoe ontwikkelde men het Pantserschip, een soort hybride tussen een slagschip en kruiser. Deze relatief goedkope optie leek enige tijd genoeg afschrikking te bieden voor de andere Europese naties in de regio, zeker wanneer dit gecombineerd werd met de assistentie van de Britse Royal Navy. Twee gebeurtenissen aan het begin van de twintigste eeuw veranderde dit beeld. Ten eerste zorgde de Tweede Boerenoorlog, een gewapende strijd in Zuid-Afrika tussen de Britten en de Boeren, lokale inwoners van Nederlandse komaf, voor een verslechtering van de relatie tussen Nederland en Groot-Brittannië. Daarnaast verscheen er in de vorm van Japan een nieuwe concurrent in Zuidoost-Azië ten tonele. Zonder de garantie van Britse steun stond de Koninklijke Marine alleen tegenover de Rijzende Zon.

De meer acute dreiging van Japan bracht de Marine ertoe het grootste deel van haar middelen in Nederlands-Indië te stationeren. Het Nederlandse neutraliteitsbeleid in Europa werd gezien als voldoende bescherming tegen eventuele agressie daar. Maar zelfs de middelen die werden aangewend voor de verdediging van Indië, bleken al snel niet meer afdoende te zijn. Zo plande men de aanschaf van een nieuwe generatie Pantserschepen, maar nog voor deze in dienst kon worden genomen, bleken deze 7.500 ton zware schepen al kansloos tegen de 30.000 ton zware Japanse slagschepen van de Fuso-klasse. Al snel kwam men tot de conclusie dat enkel de aanschaf van eigen dreadnoughts zou leiden tot een geloofwaardige afschrikking. In 1913 werden er daarom plannen gemaakt voor de bouw van vijf slagschepen van 24.605 ton, vijf kruisers van 4.000 ton en zeven onderzeeërs. Deze vloot zou groot genoeg zijn om, samen met de schepen van een bondgenoot, een Japanse aanval te kunnen afslaan. Voor de rol van bondgenoot kwam al snel de Verenigde Staten in beeld en al snel deden Nederlandse diplomaten pogingen om tot een samenwerkingsverband te komen.

Hr. Ms. De Zeven Provinciën, een 6.530 ton zwaar pantserschip

In de zomer van 1914 leek alles klaar om met de bouw van de vloot te beginnen. De Tweede Kamer had ermee ingestemd en de eerste contacten met Britse en Duitse scheepswerven waren al gelegd. De uitbraak van de Eerste Wereldoorlog gooide echter roet in het eten en de aanschaf van slagschepen verdween in de koelkast. Desondanks wilde de Marine wel alvast overgaan op de bouw van kruisers, die gewoon in Nederland gebouwd konden worden. Ook ging men nadenken over een alternatief voor slagschepen. Dit alternatief werd gevonden in de vorm van een grote vloot onderzeeboten, die ook in Nederland gebouwd konden worden, en in de ogen van de Marine net zo goed in staat zouden zijn een vijandelijke vloot tot zinken te brengen. Het idee was dat kruisers de vijand zouden opsporen en deze in een hinderlaag van onderzeeërs zouden lokken. Deze strategie bepaalde in hoge mate welk type schepen er in de komende jaren gebouwd zouden worden.

Ondanks dat de Koninklijke Marine erin geslaagd was diverse nieuwe schepen los te weken bij het kabinet, was een vloot met drie kruisers, twee torpedokruisers, 12 torpedobootjagers en 18 onderzeeërs bij lange na niet groot genoeg voor een effectieve verdediging van de gehele Indische archipel. De Marine was er echter van overtuigd dat het wel groot genoeg was om ten minste Java, het bestuurlijk centrum van de kolonie, te verdedigen. Vlak voor het uitbreken van de oorlog begon men bij de Marine te werken aan een ambitieus plan om de aanvoerlijnen van de Japanse marine aan te vallen en hiermee een invasie van Nederlands-Indië in de eerste plaats te voorkomen. Het idee was dat Japan niet over genoeg schepen beschikte om én tegen de Britse en Amerikaanse vloot te vechten én de aanvoerlijnen adequaat te kunnen beschermen.

De Duitse invasie van Nederland in mei 1940 had weinig gevolgen voor de Koninklijke Marine, omdat de meeste schepen in Nederlands-Indië waren gestationeerd. De kruisers Sumatra en Jacob van Heemskerck (die nog niet af was) en de torpedobootjager Isaac Sweers wisten in de avond van 10 mei te ontkomen naar Engeland. Op 14 mei werden de Gerard Callenburgh en Tjerk Hiddes in de Nieuwe Waterweg te Vlaardingen tot zinken gebracht. De Gerard Callenburgh werd echter gerepareerd door de Duitsers en werd als torpedobootjager ZH1 in dienst genomen tot ze op 9 juni 1944 door de Britse marine tot zinken werd gebracht. De moderne onderzeeboten die in mei 1940 nog in aanbouw waren, de O 21 t/m O 24 wisten te ontkomen naar Groot-Brittannië, waar ze werden voltooid. De O 25, O 26 en O 27 moesten worden achtergelaten en werden later door de Kriegsmarine als de UD-3, de UD-4 en de UD-5 gebruikt als opleidingsboten. De UD-3 en de UD-4 werden beide in mei 1945 tot zinken gebracht in Kiel, maar de UD-5 wist de oorlog te overleven en deed tot 1959 dienst bij de Koninklijke Marine als de O 27.

De Hr. Ms. Van Galen

Het enige grote schip dat in de meidagen van 1940 in actie kwam, was de torpedobootjager Van Galen. Om half elf ’s ochtends op 10 mei 1940 kreeg het bevel de Nieuwe Waterweg op te varen en de Duitse posities rondom de bruggen over de Nieuwe Maas te beschieten. Voor Hoek van Holland wist ze twee Ju 52 transportvliegtuigen neer te halen. Om 2 uur ’s nachts op 11 mei voer de Van Galen de Nieuwe Waterweg binnen en zette ze koers richting Rotterdam. In de buurt van Vlaardingen werd ze aangevallen door twee groepen Junker Ju 87 duikbommenwerpers. Hoewel er geen voltreffers werden geplaatst door de Duitse toestellen, zorgden de explosies aan weerszijden van het schip voor schade aan een aantal schotten en haar romp. De Van Galen kon niet veel schade meer hebben en de kapitein voer de Merwedehaven in om de bemanning te laten ontsnappen en later die dag zonk ze.

Vanaf de herfst van 1940 kwamen de marinestaven van de Britten, Nederlanders, Australiërs en Amerikanen bijeen om te overleggen hoe te reageren op mogelijke Japanse agressie. De Britten stelden voor om binnen 80 dagen na de Amerikaanse oorlogsdeelname een Eastern Fleet te vormen in Singapore en deze te gebruiken om Japanse agressie in Zuidoost-Azië het hoofd te bieden. Omdat de Britten de meeste schepen van deze vloot zouden leveren, wilden ze dat de Amerikaanse, Australische en Nederlandse schepen onder Brits bevel kwamen te staan. De Nederlandse marineleiding zag wel wat in dit plan en stelden de De Ruyter, de Java, de Tromp, zes torpedobootjagers en acht onderzeeërs ter beschikking, op voorwaarde dat Java op dat moment niet in gevaar was.

De Hr. Ms. O 16

Na de Japanse aanval op Pearl Harbor en Hong Kong verklaarde Nederland Japan in de ochtend van 8 december 1941 de oorlog. De Japanners reageerden hier pas op 11 januari 1942 op met een eigen oorlogsverklaring. Zoals vooraf was afgesproken, kwamen een aantal schepen van de Nederlands-Indische vloot onder Brits bevel te staan. Deze werden vooral ingezet voor het beveiligen van konvooien. De eerste Nederlandse schepen die contact maakten met de Japanners waren de onderzeeboten. Op 12 december bracht de K XII het Japanse troepenschip Awajisan Maru tot zinken. De dag zonk een Japanse tanker als gevolg van een aanval door de K XII. De meest succesvolle onderzeeër was de O 16 die in de avond van 12 december drie Japanse troepentransportschepen en een vrachtschip tot zinken bracht. Helaas kwam de O 16 op 15 december in aanraking met een zeemijn en zonk het naar de bodem van de zee. De O 20 zonk op 19 december na een confrontatie met een Japanse torpedobootjager en op 21 december zonk de K XVII in hetzelfde mijnenveld als de O 16. Het laatste succes van een Nederlandse onderzeeër onder Brits bevel was de O 19, die op 10 januari 1942 twee Japanse koopvaardijschepen tot zinken bracht.

Viceadmiraal Conrad Helfrich (1886-1962).

Naast de onderzeeboten die actief waren onder Brits bevel, stond viceadmiraal Conrad Helfrich (Commandant der Zeemacht in Nederlands-Indië) zelf ook nog een drietal onderzeeboten ter beschikking. De K XIV kwam op 23 december in actie. Een patrouillevliegtuig had een Japanse invasievloot gezien voor de noordwestkust van Borneo. De onderzeeboot zette meteen koers en slaagde erin aan het begin van de avond twee troepentransportschepen tot zinken te brengen. Wonderwel slaagde de onderzeeër erin weg te komen en slaagde daarbij een Japans troepentransportschip en een Japanse tanker zwaar te beschadigen. De K XIV slaagde er weer in te ontsnappen en liet de andere twee Nederlandse onderzeeboten, de K XV en de K XVI, de locatie van de overgebleven Japanse schepen weten. In de avond van 24 december slaagde K XVI erin een Japanse torpedobootjager tot zinken te brengen. Daarna was haar geluk echter op. De K XVI raakte in de ochtend van 25 december slaags met een Japanse onderzeeboot en werd tot zinken gebracht.

Begin 1942 was een derde van de Nederlandse onderzeeboten in Nederlands-Indië tot zinken gebracht. Om te compenseren voor het verlies van K XVI, riep admiraal Helfrich de K XVIII terug naar Soerabaja. De vier overgebleven onderzeeboten bleven in Singapore. In de ochtend van 23 januari 1942 ontdekte de K XVIII een Japanse invasievloot die op weg was naar Balikpapan. Toen het daar voor anker was gegaan, sloeg de Nederlandse onderzeeboot toe en bracht ze een Japans koopvaardijschip tot zinken. Daarna raakte ze door dieptebommen zwaar beschadigd, maar desondanks slaagde ze erin Soerabaja te bereiken.

Schout-bij-nacht Karel Doorman (1889 – 1942).

Tot dusver waren vooral de onderzeeboten in actie gekomen, maar het werd nu tijd voor de oppervlakteschepen om hun rol te spelen. Op 2 februari 1942 voegden de Amerikaanse, Britse, Nederlandse en Australische zeestrijdkrachten zich samen onder ABDA Command. De machtigste vlooteenheid van dit samenwerkingsverband was de ABDA Striking Force, onder het bevel van schout-bij-nacht Karel Doorman. Deze bestond begin februari uit een zware kruiser (USS Houston), drie lichte kruisers (Hr. Ms. De Ruyter, Hr. Ms. Tromp en de USS Marblehead) en zeven torpedobootjagers, drie Nederlandse en vier Amerikaanse. De opdracht van de Striking Force was het vernietigen en/of tegenhouden van de Japanse invasievloten, die onderweg waren naar de diverse Indische eilanden. Nog voor deze vloot ook maar één Japans schip had gezien, waren de USS Houston en USS Marblehead zwaar beschadigd geraakt door Japanse luchtaanvallen. Dit verlies werd deels goedgemaakt door de komst van de Britse zware kruiser HMS Exeter, de lichte kruisers Hr. Ms. Java en HMAS Hobart en drie torpedobootjagers (de Hr. Ms. Kortenaer en nog twee Amerikaanse schepen). In de ochtend van 15 februari liep de Hr. Ms. Van Ghent vast op een rif en moest het tot zinken worden gebracht door de Hr. Ms. Banckert. Twee dagen later, op 17 februari, kreeg de Hr. Ms. Van Nes opdracht de evacuatie van Zuid-Sumatra te ondersteunen, maar zij werd onderschept én tot zinken gebracht door Japanse vliegtuigen.

Met Sumatra in Japanse handen, begonnen de Japanners op 18 februari met hun aanval op Java. Het eerste doelwit van deze operatie was het eiland Bali. Het was voor de kust van dit eiland waar de ABDA Striking Force eindelijk contact wist te maken met Japanse schepen. Ondanks dat er in de nacht van 19 op 20 februari zware gevechten werden geleverd, slaagden de geallieerden er niet in de Japanners te verjagen. Helfrich had van zijn inlichtingendienst vernomen dat de Japanners nu op weg waren naar Java, dat zij vanuit zowel in het oosten als westen wilden aanvallen. Helfrich was van plan beide invasievloten te stoppen. Daartoe voegde hij een aantal Britse en Australische kruisers en torpedobootjagers samen tot een Western Striking Force en versterkte hij Doormans Striking Force, zodat deze de oostelijke invasievloot kon onderscheppen. Doorman beschikte nu over de zware kruisers HMS Exeter en USS Houston, de lichte kruisers Hr. Ms. De Ruyter, Hr. Ms. Java en HMAS Perth en de torpedobootjagers Hr. Ms. Kortenaer, Hr. Ms. Witte de With en nog eens zeven geallieerde torpedoobotjagers. Doorman verliet met deze vloot op 26 februari de haven van Soerabaja. In de middag van 27 februari maakte men voor het eerst contact met de Japanners.

Hr. Ms. De Ruyter. Tijdens de Slag in de Javazee 345 bemanningsleden om het leven.

De Slag in de Javazee begon met enkele wederzijdse langeafstandsbeschietingen. Later zetten de Japanners ook grootschalige torpedoaanvallen in. De Hr. Ms. Kortenaer werd hier onder meer het slachtoffer van en zij werd in de namiddag van 27 februari uitgeschakeld. Doorman besloot hierop het gevecht af te breken en dan om de Japanse escorte heen te varen, zodat men de landingsschepen kon aanvallen. Deze manoeuvre werd echter doorzien door de Japanners en zij slaagden erin Doormans eskader te onderscheppen. Kort na elkaar op de late avond van 27 februari werden de Hr. Ms. Java en de Hr. Ms. De Ruyter door torpedo’s getroffen en beide schepen verdwenen onder het water. Hierbij kwam Doorman ook om het leven.

De overgebleven schepen van de Striking Force trokken zich terug naar Java. Admiraal Helfrich gaf de overgebleven schepen opdracht zich te verzamelen voor de zuidkust van Java in een ultieme poging de Japanners nogmaals aan te vallen. Alle schepen die aan deze actie deelnamen, waaronder de Hr. Ms. Evertsen, werden door de Japanners tot zinken gebracht. Hierna trokken de geallieerden hun schepen terug naar Sri Lanka en Australië. Nederlands-Indië was verloren. Daarop hief Helfrich ABDA Command op en gaf hij zijn overgebleven schepen opdracht te maken dat ze wegkwamen. Tijdens de ontsnappingspoging werden de Hr. Ms. Banckert en Hr. Ms. Witte de With zwaar beschadigd en moesten ze tot zinken worden gebracht. Datzelfde gold voor de beschadigde onderzeeboten K X, K XIII en K VIII.

Het enige overgebleven Nederlandse oorlogsschip was de Hr. Ms. Tromp. Zij was eerder beschadigd en voor reparaties naar Australië gestuurd. Zeven onderzeeboten wisten de strijd in Zuidoost-Azië ook te overleven. Zij slaagden erin te ontkomen naar Sri Lanka of Australië.

De verliezen die de Koninklijke Marine had geleden tijdens de gevechten in Zuidoost-Azië betekende een einde aan een zelfstandige rol in wat komen ging.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s